Je bekijkt nu Hoe controleer je of een ontworming goed heeft gewerkt? – WERT/FECRT

Hoe controleer je of een ontworming goed heeft gewerkt? – WERT/FECRT

Wanneer een paard gericht wordt ontwormd, wil je natuurlijk ook weten of het gebruikte wormmiddel daadwerkelijk voldoende effect heeft gehad. Dat kun je controleren met een WormEi Reductie Test (WERT), internationaal aangeduid als Faecal Egg Count Reduction Test (FECRT).

Bij een WERT vergelijk je de hoeveelheid wormeitjes die een paard vóór de behandeling uitscheidt met de hoeveelheid wormeitjes die na de behandeling nog wordt uitgescheiden. Zo bereken je hoeveel procent de eiuitscheiding door de behandeling is afgenomen.

Een WERT vertelt dus niet of alle wormen uit het paard verdwenen zijn. De test laat zien hoe sterk de eiuitscheiding van de met mestonderzoek aantoonbare wormen door de behandeling is gereduceerd.

Een WERT bij een individueel paard

Een formele FECRT voor het vaststellen van resistentie wordt bij voorkeur uitgevoerd bij een groep paarden. Toch kan een behandelcontrole bij één individueel paard heel zinvol zijn.

Dat is ook praktisch relevant. Wanneer je jouw paarden individueel bemonstert en onderzoekt, kun je na een gerichte ontworming controleren of de behandeling bij het betreffende paard voldoende effect heeft gehad.

Daarvoor heb je twee tellingen nodig:

  1. een mestonderzoek direct vóór de behandeling;
  2. een tweede mestonderzoek 14 dagen na de behandeling.

Het is belangrijk dat beide monsters met dezelfde onderzoeksmethode en dezelfde telwijze worden onderzocht. Alleen dan kun je de uitkomsten goed met elkaar vergelijken.

Hoe bereken je de reductie?

Stel dat vóór het ontwormen een uitslag van 1.000 EPG wordt gevonden.

Veertien dagen na de behandeling wordt opnieuw mestonderzoek gedaan. De uitslag is dan 25 EPG.

De ei-uitscheiding is daarmee afgenomen van 1.000 naar 25 EPG. Dat is een afname van 975 EPG.

Van de oorspronkelijke eiuitscheiding resteert nog maar 2,5%. De behandeling heeft de eiuitscheiding dus met 97,5% gereduceerd.

De berekening in een formule

Voor wie de berekening graag in formulevorm bekijkt:

WERT/FECR (%) = ((EPG vóór behandeling − EPG na behandeling) ÷ EPG vóór behandeling) × 100

In ons voorbeeld:

((1.000 − 25) ÷ 1.000) × 100 = 97,5%

De wormei-reductie bedraagt dus 97,5%.

Je gebruikt hiervoor gewoon de al berekende EPG-waarden. De hoeveelheden mest en flotatievloeistof die bij het McMaster-onderzoek zijn gebruikt, zijn immers al verwerkt in de EPG.

Wanneer heeft de behandeling voldoende gewerkt?

Voor een behandelcontrole bij één individueel paard geldt als praktische internationale richtlijn dat een werkzaam wormmiddel de uitscheiding van strongyliden- en spoelwormeitjes na 14 dagen met meer dan 95% moet hebben verminderd.

Een hoge reductie past dus bij een goed werkende behandeling.

Is de reductie duidelijk lager dan verwacht, dan moet dat serieus worden genomen. Dat betekent echter niet automatisch dat met één individuele WERT al bewezen is dat er sprake is van resistentie.

Controleer bij een onverwacht lage reductie onder andere of:

  • het juiste wormmiddel en de juiste dosering zijn gebruikt;
  • het lichaamsgewicht van het paard voldoende nauwkeurig is ingeschat;
  • het paard de volledige dosis daadwerkelijk heeft binnengekregen;
  • het wormmiddel correct is bewaard en niet over de houdbaarheidsdatum was;
  • beide mestonderzoeken volgens dezelfde methode zijn uitgevoerd.

Bespreek een onvoldoende behandelresultaat met de dierenarts. Wanneer praktische oorzaken zijn uitgesloten en bij herhaalde controle opnieuw onvoldoende werkzaamheid wordt gevonden, wordt resistentie steeds waarschijnlijker.

Niet iedere WERT is even betrouwbaar

Bij de beoordeling van een WERT is niet alleen het berekende percentage belangrijk. Ook het aantal eitjes dat vóór de behandeling daadwerkelijk onder de microscoop is geteld bepaalt hoe betrouwbaar de uitkomst is.

Dat is iets anders dan de EPG.

Stel dat je vóór behandeling slechts vier eitjes telt. Met onze McMaster-methode komt dat overeen met 100 EPG. Vind je na behandeling geen enkel eitje meer, dan is de berekende reductie 100%.

Rekenkundig klopt dat. Maar de conclusie is gebaseerd op slechts vier daadwerkelijk waargenomen eitjes. Toeval en de normale variatie van een mestonderzoek hebben dan relatief veel invloed.

Hoe meer eitjes je vóór behandeling daadwerkelijk telt, hoe sterker de basis voor de vergelijking.

Als praktische richtlijn geldt:

Daadwerkelijk getelde eitjes vóór behandeling Betekenis voor een individuele behandelcontrole
Meer dan 40 Redelijk betekenisvolle test
20–40 Matig bruikbaar; voorzichtiger interpreteren
Minder dan 20 Uitkomst kan onvoldoende betrouwbaar zijn

Bij onze McMaster-methode met een factor 25 staat één geteld eitje voor 25 EPG. Bij één standaardtelling van beide telrasters komt 20 getelde eitjes dus overeen met 500 EPG en 40 eitjes met 1.000 EPG.

Dat betekent niet dat je onder 500 of 1.000 EPG geen behandelcontrole kunt uitvoeren. Het betekent wel dat je je bewust moet zijn van de grotere onzekerheid wanneer maar weinig eitjes daadwerkelijk zijn geteld.

Een opvallend slechte reductie is daarbij doorgaans informatiever dan een ogenschijnlijk perfecte reductie op basis van maar enkele eitjes.

Gebruik vóór en na dezelfde onderzoeksmethode

Voor een betrouwbare vergelijking is het belangrijk dat vóór en na behandeling op dezelfde manier wordt geteld.

Dat betekent bijvoorbeeld dat je niet vóór behandeling een McMaster-methode met factor 25 gebruikt en na behandeling ineens een andere telmethode toepast.

Niet omdat een EPG uit verschillende correct uitgevoerde methoden een andere betekenis heeft — EPG blijft eitjes per gram mest — maar omdat onderzoeksmethoden verschillen in gevoeligheid en meetvariatie. Voor een behandelcontrole wil je die extra bron van verschil zoveel mogelijk uitsluiten.

Daarom: zelfde paard, zelfde onderzoeksmethode, zelfde telwijze en hetzelfde tijdsinterval.

Is een individuele WERT ook een resistentietest?

Niet helemaal.

Met een individuele WERT controleer je in de eerste plaats:

Heeft deze behandeling bij dit paard de eiuitscheiding voldoende verminderd?

Een onvoldoende reductie kan een belangrijke aanwijzing zijn voor resistentie, zeker wanneer fouten bij dosering, toediening en onderzoek zijn uitgesloten. Maar voor een formele uitspraak over resistentie binnen een stal of paardenpopulatie is een uitgebreider onderzoek nodig.

Hoe onderzoek je resistentie op groepsniveau?

Voor een echte resistentiediagnose worden meerdere paarden uit dezelfde populatie onderzocht. Daarbij worden de paarden vóór behandeling individueel bemonsterd en 14 dagen na behandeling opnieuw onderzocht.

De huidige internationale richtlijnen adviseren daarbij:

  • bij voorkeur een groep eipositieve paarden die dezelfde weiden gebruiken;
  • minimaal ongeveer vijf paarden, waarbij voor sommige wormmiddelgroepen meer paarden nodig zijn;
  • zo veel mogelijk eitjes tellen vóór behandeling, bij voorkeur gemiddeld ten minste 40 daadwerkelijk getelde eitjes per paard;
  • dezelfde paarden vóór en na behandeling onderzoeken;
  • dezelfde onderzoeksmethode en hetzelfde aantal telkamers gebruiken;
  • de werkzaamheid niet alleen beoordelen aan de hand van één gemiddeld reductiepercentage, maar ook rekening houden met de statistische onzekerheid tussen de paarden.

Voor een formele FECRT worden daarom 90%-betrouwbaarheidsintervallen berekend. De grenswaarden verschillen bovendien per soort wormmiddel en parasiet. Er bestaat dus niet één universele resistentiegrens van bijvoorbeeld 90 of 95%.

Voor bloedwormen/kleine strongyliden worden momenteel bijvoorbeeld de volgende grenswaarden gebruikt:

Werkzame-stofgroep Bovengrens verwachte werkzaamheid Ondergrens
Ivermectine / moxidectine 99,9% 92%
Benzimidazolen 99% 90%
Pyrantel 98% 80%

Bij de interpretatie wordt gekeken waar het 90%-betrouwbaarheidsinterval van de gemeten werkzaamheid ten opzichte van deze grenzen ligt. Daarmee kan de uitkomst worden ingedeeld als voldoende werkzaamheid, aanwijzing voor resistentie of een nog onzekere uitkomst.

Voor zo’n formele groeps-FECRT is de berekening dus aanzienlijk uitgebreider dan de eenvoudige behandelcontrole bij één paard.

Kort samengevat

Een WERT bij één paard is een praktische manier om na te gaan of een gerichte ontworming voldoende effect heeft gehad:

mestonderzoek vóór behandeling → correct ontwormen → 14 dagen wachten → opnieuw mestonderzoek → procentuele reductie berekenen.

Bij een individueel paard verwachten we dat de strongyliden- of spoelwormei-uitscheiding met meer dan 95% afneemt.

Hoeveel waarde je aan dat percentage kunt hechten, hangt echter mede af van hoeveel eitjes vóór de behandeling daadwerkelijk zijn geteld. Een WERT is dus meer dan alleen twee EPG’s in een formule zetten.

En wil je niet alleen weten of de behandeling bij één paard heeft gewerkt, maar daadwerkelijk bepalen of binnen een stal sprake is van resistentie tegen een wormmiddel, dan is een FECRT op groepsniveau nodig.

Onderbouwing

De individuele behandelcontrole, het interval van 14 dagen, de pragmatische grens van >95%, het belang van het daadwerkelijk aantal getelde eitjes en de categorieën >40, 20–40 en <20 komen rechtstreeks uit de in 2024 herziene AAEP-richtlijn. Diezelfde richtlijn benadrukt dat een treatment check bij één paard nuttig kan zijn, maar geen formele resistentietest is.

Voor een formele resistentiediagnose volgt de AAEP de in 2023 herziene WAAVP-methodiek: groepsonderzoek, het eggs counted-principe, 90%-betrouwbaarheidsintervallen en middel-/parasietspecifieke grenswaarden. De waarden in de tabel voor cyathostominae zijn de huidige AAEP/WAAVP-grenzen.