Je hebt mestonderzoek gedaan en geen wormeitjes gevonden. Een paar dagen of weken later ligt er ineens toch een worm in de mest.
Dat lijkt tegenstrijdig, maar dat hoeft het helemaal niet te zijn.
Een wormeitelling en het daadwerkelijk zien van een worm in de mest meten namelijk niet hetzelfde. Met een mestonderzoek zoek je naar eitjes die door volwassen vrouwelijke wormen worden geproduceerd en met de gebruikte methode aantoonbaar zijn. Een zichtbare worm of larve in de mest kan daar om verschillende redenen niet mee overeenkomen.
Geen eitjes vinden betekent niet dat er geen wormen aanwezig zijn
Bij een wormeitelling onderzoek je een klein, representatief deel van de mest op wormeitjes.
Wanneer je geen eitjes aantreft, ligt de ei-uitscheiding onder de detectiegrens van de gebruikte methode. Dat betekent niet dat je hebt aangetoond dat er geen parasieten in het paard aanwezig zijn.
Een worm kan bijvoorbeeld:
- nog niet volwassen zijn en dus nog geen eitjes produceren;
- tot een soort behoren waarvan de eitjes met de gebruikte methode moeilijk of niet aantoonbaar zijn;
- aanwezig zijn terwijl slechts zeer weinig eitjes worden uitgescheiden;
- of na behandeling uit het lichaam worden afgevoerd.
Een zichtbare worm in de mest en een wormeitelling beantwoorden dus verschillende vragen.
Lees ook dit artikel: Wat betekent het als je geen wormeitjes vindt?
Een jonge infectie kan nog geen eitjes produceren
Na besmetting duurt het tijd voordat een parasiet volwassen wordt en eitjes gaat produceren. Die periode noemen we de prepatente periode.
Tijdens die periode kunnen er al parasieten in het lichaam aanwezig zijn terwijl er nog geen eitjes in de mest gevonden kunnen worden.
Spoelworm is daarvan een duidelijk voorbeeld. Vooral bij veulens en jonge paarden kan een infectie al geruime tijd aanwezig zijn voordat de eerste eitjes in de mest verschijnen. Dat kan tot ongeveer twaalf weken duren.
Een mestonderzoek zonder aangetroffen spoelwormeitjes sluit een jonge spoelworminfectie daarom niet uit.
Na een ontworming kun je ineens wormen zien
Een veel voorkomende situatie is dat er na behandeling wormen in de mest verschijnen.
Een werkzaam ontwormmiddel doodt of verlamt bepaalde parasieten, waarna deze via het darmkanaal kunnen worden uitgescheiden.
Vooral spoelwormen vallen daarbij op. Ze zijn groot, licht van kleur en kunnen met het blote oog gemakkelijk worden herkend.
Het feit dat je na behandeling wormen ziet, betekent niet automatisch dat een eerder mestonderzoek onjuist was.
Er kunnen bijvoorbeeld vóór de behandeling:
- nog geen eitjes zijn geproduceerd;
- zo weinig eitjes zijn uitgescheiden dat ze onder de detectiegrens lagen;
- of parasieten aanwezig zijn geweest die met de gebruikte onderzoeksmethode niet goed werden aangetoond.
Andersom geldt ook dat het aantal wormen dat je na behandeling in de mest ziet geen betrouwbare maat is voor het totale aantal wormen dat in het paard aanwezig was.
Niet iedere zichtbare parasiet legt eitjes die je met McMaster vindt
De McMaster-methode is vooral geschikt voor het aantonen en tellen van bepaalde wormeitjes, zoals die van strongyliden en spoelworm.
Andere parasieten vragen een andere benadering.
Aarsworm
Bij aarsworm worden de eitjes voornamelijk op de huid rondom de anus afgezet. Daardoor zitten ze vaak niet of nauwelijks in een gewoon mestmonster.
Een paard kan dus aarsworm hebben terwijl je bij een McMaster-telling geen aarswormeitjes vindt.
Bij verdenking op aarsworm is een plakband- of cellotapetest rondom de anus veel geschikter.
Lintworm
Lintwormeitjes worden niet voortdurend en gelijkmatig uitgescheiden. Daardoor kan een besmet paard een mestmonster produceren waarin geen lintwormeitjes worden aangetroffen.
Een standaard mestonderzoek is daarom niet geschikt om een lintworminfectie betrouwbaar uit te sluiten.
Paardenhorzel
Bij de paardenhorzel ligt het nog anders.
De volwassen vlieg plakt in zomer en najaar geelachtige eitjes aan de haren van het paard. Na opname ontwikkelen de larven zich in het paard.
Die larven worden niet via een gewone wormeitelling in de mest aangetoond.
In het voorjaar kunnen volgroeide horzellarven uiteindelijk via de mest naar buiten komen. Het is dan mogelijk dat je een vrij grote larve in de mest ziet terwijl een eerder mestonderzoek daar niets over kon vertellen.
Lees ook dit artikel: Welke parasieten kun je met mestonderzoek aantonen?
Ook het levensstadium is belangrijk
Bij mestonderzoek draait het niet alleen om welke parasiet aanwezig is, maar ook om in welk ontwikkelingsstadium die parasiet zich bevindt.
Ingekapselde larven van kleine bloedworm zijn daarvan een belangrijk voorbeeld.
Deze larven bevinden zich in de darmwand en produceren geen eitjes. Een gewone wormeitelling kan ze daarom niet aantonen.
Ze worden meestal ook niet als herkenbare wormen in de mest teruggevonden. Het voorbeeld laat vooral zien waarom de afwezigheid van eitjes nooit automatisch betekent dat ieder stadium van een parasiet is uitgesloten.
Wat voor worm zie je eigenlijk?
Wanneer je iets wormachtigs in de mest ziet, is het verstandig eerst vast te stellen wat het werkelijk is.
Niet alles wat lang, wit of draadvormig is, is een parasiet. Plantaardige vezels, slijm en ander materiaal kunnen soms verrassend veel op een worm lijken.
De uiterlijke kenmerken kunnen wel aanwijzingen geven.
Een grote, stevige, witachtige worm bij een jong paard doet bijvoorbeeld eerder aan spoelworm denken dan aan strongyliden.
Aarswormen hebben weer een ander uiterlijk en paardenhorzellarven zijn duidelijk herkenbare larven, geen lange wormen.
Een goede foto waarbij ook de afmetingen zichtbaar zijn kan helpen bij de identificatie.
Moet je opnieuw mestonderzoek doen?
Niet automatisch.
Wat verstandig is, hangt af van wat je hebt gezien en van de situatie van het paard.
Relevant zijn bijvoorbeeld:
- leeftijd van het paard;
- welke parasiet vermoedelijk is aangetroffen;
- wanneer het laatste mestonderzoek is uitgevoerd;
- welke onderzoeksmethode toen is gebruikt;
- eerdere uitslagen;
- eventuele recente ontworming;
- en andere risicofactoren.
Bij een jong paard waarbij een spoelworm wordt gezien, ligt de situatie bijvoorbeeld anders dan wanneer in het voorjaar een paardenhorzellarve in de mest wordt gevonden.
De waarneming moet daarom worden geïnterpreteerd binnen de levenscyclus van de betreffende parasiet.
Een zichtbare worm maakt het eerdere mestonderzoek niet automatisch fout
Dit is uiteindelijk de belangrijkste boodschap.
Mestonderzoek toont eitjes of andere specifieke parasietstadia aan die met de gekozen methode in het onderzochte monster aanwezig zijn.
Een worm die later zichtbaar in de mest ligt kan informatie geven die op een ander moment, in een ander ontwikkelingsstadium of met een andere methode niet beschikbaar was.
Er is dus geen echte tegenstelling tussen:
“Bij het mestonderzoek zijn geen wormeitjes gevonden.”
en:
“Later zag ik toch een worm in de mest.”
Beide waarnemingen kunnen volledig correct zijn.
De kunst is om te begrijpen welke parasiet je ziet, waar deze zich in zijn levenscyclus bevindt en wat de gebruikte onderzoeksmethode wel en niet kon aantonen.
Lees ook deze artikelen:
Wat betekent het als je geen wormeitjes vindt?
Welke parasieten kun je met mestonderzoek aantonen?
Wanneer is mestonderzoek betrouwbaar?
