Voor mestonderzoek bij paarden gebruiken we bij de McMaster-methode 4 gram mest en 26 ml flotatievloeistof. Dat is niet zomaar een handige verhouding. Deze methode maakt het mogelijk om relatief veel mest te onderzoeken en toch een goed leesbaar preparaat te houden. Dat draagt bij aan een betrouwbaardere uitslag.
Meer mest onderzoeken geeft meer informatie
Bij mestonderzoek onderzoek je altijd maar een klein deel van het oorspronkelijke mestmonster. Heel erg platgeslagen kun je stellen; hoe meer mest je onderzoekt, hoe betrouwbaarder de uitslag wordt.
Met 4 gram mest en 26 ml flotatievloeistof komen we, wanneer de telrasters van beide McMaster-kamers worden geteld, uit op een vermenigvuldigingsfactor van 25. Eén geteld eitje staat dus voor 25 eitjes per gram mest: 25 EPG. Meer over deze berekening kun je lezen in het artikel over de EPG berekening; klik hier
Bij veel andere McMaster-varianten is de factor 50. Bij dezelfde werkelijke eiuitscheiding worden met onze methode daardoor gemiddeld twee keer zoveel eitjes daadwerkelijk geteld.
Dat maakt de telling minder afhankelijk van één toevallig wel of niet gevonden eitje.
Een lagere detectiegrens
De factor 25 betekent ook dat de detectiegrens 25 EPG bedraagt. Bij een methode met factor 50 ligt die op 50 EPG. Kort gezegd; je kunt hele lichte infecties eerder aantonen. Dat kan bijvoorbeeld relevant zijn bij spoelworm (Parascaris), waarbij ook een lage eiuitscheiding belangrijk kan zijn om aan te tonen.
Meer mest is niet altijd beter
Je zou dan kunnen denken: waarom gebruiken we niet bij iedere diersoort zoveel mogelijk mest en zo weinig mogelijk flotatievloeistof?
Omdat meer mest ook meer materiaal onder de microscoop betekent.
Bij paarden werkt deze verhouding goed doordat paardenmest relatief grof van structuur is. Tijdens het zeven blijft een groot deel van de grove plantenresten achter. Daardoor kan een relatief geconcentreerd monster worden gemaakt, terwijl het beeld in de McMaster-telkamer toch rustig en goed beoordeelbaar blijft.
Bij bijvoorbeeld schapen, geiten of kippen bevat de mest veel fijner materiaal dat gemakkelijker door de zeef heen gaat. Een even geconcentreerd monster kan dan onder de microscoop veel meer achtergrondmateriaal bevatten.
En dat werkt juist tegen je: eitjes zijn moeilijker te herkennen, tellen kost meer inspanning en de kans op tel- en herkenningsfouten neemt toe.
Meer mest onderzoeken is dus alleen een voordeel zolang het preparaat goed leesbaar blijft.
Ook gunstig bij een WERT/FECRT
Het grotere aantal daadwerkelijk getelde eitjes is ook belangrijk wanneer je controleert of een ontworming voldoende heeft gewerkt.
Bij een WERT/FECRT vergelijk je de EPG vóór en na behandeling. Hoe meer eitjes je vóór de behandeling daadwerkelijk hebt geteld, hoe steviger de basis voor het berekenen van de reductie.
Bij 500 EPG tel je met factor 25 bijvoorbeeld ongeveer 20 eitjes. Met factor 50 zouden dat er ongeveer 10 zijn. Vooral wanneer de aantallen dalen, kan dat verschil belangrijk worden.
Een praktische balans
De verhouding 4 gram mest + 26 ml flotatievloeistof vormt bij paarden daarmee een praktische balans:
voldoende mest onderzoeken voor een lage detectiegrens en betrouwbare telling, zonder dat het microscopische beeld onnodig vervuild en moeilijk te beoordelen wordt.
Dat is uiteindelijk waarom wij bij paarden voor deze variant van de McMaster-methode kiezen.
