Wanneer doe je mestonderzoek?

Er bestaat niet één mestonderzoeksschema dat voor ieder paard en iedere situatie precies hetzelfde is. Leeftijd, eerdere uitslagen, weidegang, groepssamenstelling, eerdere behandelingen en het risico op bepaalde parasieten bepalen mede wanneer en hoe vaak onderzoek zinvol is.

Een kalender kan helpen om onderzoeksmomenten te plannen. Maar een vast schema mag nooit belangrijker worden dan het individuele paard en de omstandigheden waarin dat paard leeft.

Begin met meerdere onderzoeken verspreid over het weideseizoen

Wanneer je nog weinig weet over de ei-uitscheiding van een volwassen paard, zegt één mestonderzoek maar beperkt iets over het patroon van dat paard.

De Nederlandse Leidraad Paard en Parasieten adviseert daarom om bij volwassen paarden in het eerste jaar van monitoring drie keer mestonderzoek te doen, verspreid over het weideseizoen:

  • voorjaar: ongeveer twee weken voordat het paard naar buiten gaat, of vanaf maart wanneer het paard al op de weide staat;
  • zomer: nogmaals tijdens het weideseizoen;
  • najaar: opnieuw mestonderzoek, bijvoorbeeld rond september.

Door uitslagen over langere tijd te verzamelen, krijg je steeds meer inzicht in hoe een individueel paard wormeitjes uitscheidt.

Daarna kan de onderzoeksfrequentie verschillen per paard

Bij volwassen paarden blijkt de mate waarin zij strongyliden-eitjes uitscheiden vaak redelijk stabiel.

Wanneer een paard tijdens het eerste monitoringsjaar bij minstens drie onderzoeken steeds een lage ei-uitscheiding laat zien, kan volgens de Nederlandse leidraad in volgende jaren doorgaans met minstens twee onderzoeken tijdens het weideseizoen worden volstaan.

Laat een paard bij één of meer onderzoeken een hogere uitscheiding zien, dan is het verstandig om frequenter te blijven monitoren.

Het doel is dus niet om ieder paard levenslang volgens exact dezelfde kalender te onderzoeken. Door een historie op te bouwen kun je de monitoring steeds beter afstemmen op het individuele paard.

Ook in de winter kan mestonderzoek belangrijk zijn

Er doen verschillende “makkelijke” schema’s de ronde waarin wordt geadviseerd om in het voorjaar, de zomer en het najaar mestonderzoek te doen en in de winter niet meer te onderzoeken, maar standaard een zogenaamde najaars- of winterkuur te geven.

Dergelijke schema’s zijn aantrekkelijk omdat ze eenvoudig en overzichtelijk lijken. Maar juist die eenvoud kan risico’s met zich meebrengen: ze wekken de indruk dat één vast schema voor ieder paard en iedere situatie veilig zou zijn.

In de praktijk is dat niet zo. Leeftijd, eerdere uitslagen, aanwezige parasieten, seizoen, leefomstandigheden en eerdere behandelingen kunnen allemaal invloed hebben op wat op een bepaald moment verstandig is.

Een duidelijk voorbeeld zijn veulens die laat in de zomer worden geboren. Een veulen dat in augustus of september wordt geboren, kan pas later in het najaar of in de winter spoelwormeitjes gaan uitscheiden. Juist dan kan mestonderzoek dus belangrijke informatie opleveren.

Wanneer je in die periode geen mestonderzoek meer doet omdat een “makkelijk” schema voorschrijft om alleen een winterkuur te geven, kun je zo’n spoelworminfectie missen. Bovendien biedt een veelgebruikte winterkuur zoals Equest Pramox geen betrouwbare dekking tegen spoelworm.

Dat is bij een jong paard niet iets om lichtvaardig mee om te gaan. Spoelworminfecties kunnen bij veulens en jonge paarden ernstig verlopen.

Winter is daarom op zichzelf geen reden om mestonderzoek over te slaan. Kijk naar het paard dat voor je staat en naar de parasieten die op dat moment relevant kunnen zijn.

Mestonderzoek in de winter heeft ook beperkingen

Dat onderzoek in de winter zinvol kan zijn, betekent niet dat een negatieve mestuitslag in de winter bewijst dat een paard geen wormen heeft.

Bij een standaard wormeitelling worden parasieten gezocht die op dat moment eitjes uitscheiden. Bepaalde ontwikkelingsstadia zijn daarmee niet aantoonbaar. Zo worden ingekapselde larven van kleine bloedwormen niet zichtbaar met een gewone mesttelling.

Ook andere parasieten vragen soms om een andere onderzoeksmethode.

Een winterse uitslag moet daarom altijd worden geïnterpreteerd vanuit de gebruikte methode, de parasiet waarop je onderzoekt en de situatie van het paard.

Lees ook het artikel: Mestonderzoek in de winter

Jonge paarden vragen om een andere aanpak

De hierboven beschreven opbouw met enkele mestonderzoeken per jaar is vooral bruikbaar voor volwassen paarden.

Bij veulens en jonge paarden ligt dat anders. Zij zijn gevoeliger voor bepaalde parasieten en hebben nog niet dezelfde opgebouwde afweer als volwassen paarden. Vooral spoelworm speelt bij jonge paarden een belangrijke rol.

De Nederlandse Leidraad Paard en Parasieten benadrukt daarom ook dat voor veulens geen eenvoudig standaard ontwormings- of monitoringsschema kan worden opgesteld. De aanpak is sterk afhankelijk van leeftijd, bedrijfssituatie en infectiedruk.

Juist bij jonge paarden is het dus belangrijk om niet blind een schema voor volwassen paarden te volgen.

Wanneer is extra mestonderzoek zinvol?

Naast reguliere monitoring kunnen er andere momenten zijn waarop een extra onderzoek nuttig is.

Bij een nieuw paard in de groep

Een nieuw paard kan een andere parasietenstatus hebben dan de paarden die al op het bedrijf staan.

Daarom is het verstandig om bij introductie van een nieuw paard aandacht te besteden aan mestonderzoek en wormmanagement voordat het dier zonder meer bij de bestaande groep wordt geplaatst.

Wanneer eerdere uitslagen daar aanleiding toe geven

Een paard dat herhaaldelijk meer eitjes uitscheidt vraagt doorgaans om een andere monitoring dan een volwassen paard dat meerdere jaren consequent weinig eitjes uitscheidt.

Kijk daarom niet alleen naar één losse EPG-waarde, maar vooral naar het patroon in eerdere onderzoeken.

Als je wilt controleren of een ontwormmiddel nog werkt

Mestonderzoek kan ook worden gebruikt om de werkzaamheid van een ontwormmiddel te controleren.

Daarvoor voer je een WormEi Reductie Test (WERT) uit, internationaal bekend als FECRT – Faecal Egg Count Reduction Test. Daarbij vergelijk je een mesttelling vóór behandeling met een telling na behandeling.

Dat is iets anders dan alleen na een ontworming een willekeurige mesttelling uitvoeren.

Lees het artikel: Hoe bereken ik de FECRT of WERT?

Onderzoek niet alleen op de kalender

Wanneer mestonderzoek onderdeel wordt van je routine, is het verleidelijk om simpelweg vaste data in de agenda te zetten.

Dat is op zichzelf prima, zolang je blijft bedenken dat zo’n kalender slechts een hulpmiddel is.

Bij de keuze wanneer je onderzoekt kunnen onder andere relevant zijn:

  • leeftijd;
  • eerdere EPG-uitslagen;
  • weidegang;
  • groepssamenstelling;
  • introductie van nieuwe paarden;
  • eerdere ontwormingen;
  • bekende resistentie of verminderde werkzaamheid van ontwormmiddelen;
  • de parasiet waarop je wilt onderzoeken;
  • seizoen;
  • veranderingen in de leefomgeving of het management.

Een goed onderzoeksschema ontstaat dus niet alleen uit de kalender, maar uit kennis van het paard, eerdere onderzoeksresultaten en de situatie waarin het leeft.

Bouw een historie op

Wie regelmatig mestonderzoek doet, heeft veel meer aan de uitslagen wanneer deze worden bewaard en met elkaar worden vergeleken.

Noteer daarom bij iedere telling bijvoorbeeld:

  • datum van onderzoek;
  • naam van het paard;
  • EPG;
  • welke soorten eitjes zijn waargenomen;
  • eventuele behandeling;
  • relevante bijzonderheden.

Na verloop van tijd ontstaat zo een individueel beeld van het paard. Dat geeft veel meer informatie dan één losse mestuitslag en helpt om toekomstige onderzoeksmomenten steeds gerichter te kiezen.

Lees ook het artikel: Wat betekent een EPG-waarde?

Bekijk instructies & handleidingen →

Bekijk het cursusaanbod →