Mestonderzoek kan een betrouwbaar hulpmiddel zijn binnen het wormmanagement van je paard. Maar daarvoor moet je wel duidelijk hebben wat je onderzoekt, welke methode je gebruikt en wat je uit de uitslag kunt concluderen.
Een betrouwbaar mestonderzoek betekent namelijk niet dat je daarmee alle wormen in een paard kunt aantonen. Het betekent dat je met een geschikte onderzoeksmethode en een zorgvuldige werkwijze zo betrouwbaar mogelijk meet wat die methode kan meten.
De betrouwbaarheid zit daarbij niet alleen in het volgen van een aantal stappen. Juist de manier waarop het onderzoek in de praktijk wordt uitgevoerd, de ervaring van de onderzoeker en de interpretatie van wat onder de microscoop wordt gezien, hebben veel invloed op de kwaliteit van de uitslag.
Betrouwbaar begint met de juiste onderzoeksmethode
Niet iedere parasiet kan met dezelfde methode betrouwbaar worden onderzocht.
Bij een standaard wormeitelling volgens de McMaster-methode onderzoek je de mest op bepaalde wormeitjes en kun je de gevonden hoeveelheid uitdrukken in EPG: eitjes per gram mest. Deze methode is onder andere geschikt voor het tellen van strongyliden-eitjes en het aantonen en tellen van spoelwormeitjes.
Maar McMaster is niet geschikt om iedere relevante parasiet of ieder ontwikkelingsstadium betrouwbaar aan te tonen.
Zo geldt bijvoorbeeld:
- ingekapselde larven van kleine bloedworm zijn niet met een gewone mesttelling aantoonbaar;
- lintworminfecties kunnen met een standaard McMaster-onderzoek gemakkelijk worden gemist;
- aarswormeitjes worden voornamelijk rond de anus afgezet en vragen daarom om een andere onderzoeksmethode;
- voor longworm wordt een andere onderzoeksmethode gebruikt, zoals de Baermann-methode;
- voor leverbot is een sedimentatiemethode, zoals de gemodificeerde Dorsman-methode, geschikter.
Een onderzoek kan dus technisch goed zijn uitgevoerd en toch geen betrouwbaar antwoord geven wanneer de gebruikte methode niet geschikt is voor de parasiet of vraagstelling.
Lees ook het artikel: Welke parasieten kun je met mestonderzoek aantonen?
Een goed mestmonster is belangrijk
De kwaliteit van het onderzoek begint bij het mestmonster.
Een mestmonster moet representatief zijn voor het paard dat je wilt onderzoeken en op een geschikte manier worden verzameld, bewaard en verwerkt. Veroudering, verkeerde bewaring of een niet-representatief monster kan invloed hebben op wat uiteindelijk wordt teruggevonden.
Ook binnen één mestmonster zijn wormeitjes niet noodzakelijk overal exact gelijk verdeeld. Dat is een van de redenen waarom een zorgvuldige monstervoorbereiding belangrijk is.
Hoe je die voorbereiding in de praktijk goed uitvoert, leer je niet volledig uit een stappenplan. Begrippen als goed mengen, representatief bemonsteren en consequent werken lijken eenvoudig, maar de kwaliteit zit juist in hoe je die handelingen uitvoert.
Zorgvuldig en consequent werken maakt verschil
Bij een kwantitatieve wormeitelling wordt een relatief kleine hoeveelheid materiaal onderzocht en vervolgens omgerekend naar een waarde per gram mest.
Daarom kunnen verschillen in uitvoering invloed hebben op de uiteindelijke EPG.
Betrouwbaar onderzoek vraagt onder andere om:
- geschikte en goed functionerende materialen;
- een correct samengestelde flotatievloeistof;
- een consistente monstervoorbereiding;
- correct gebruik van de telkamer;
- systematische microscopische beoordeling;
- correcte herkenning en telling van parasieteneitjes;
- de juiste berekening van de EPG.
Sommige onderdelen hiervan zijn prima met een goede schriftelijke instructie te leren. Zo kun je nauwkeurig uitleggen hoe je een flotatievloeistof aanmaakt, hoe je een telkamer vult of hoe je een EPG berekent.
Andere onderdelen vragen vooral om praktijkervaring. Het verschil tussen de stappen kennen en een methode daadwerkelijk goed en reproduceerbaar uitvoeren is belangrijk.
Herkennen wat je ziet vraagt kennis en oefening
Niet alles wat onder de microscoop rond, ovaal of opvallend uitziet is een wormeitje.
Plantenmateriaal, luchtbelletjes, schimmelsporen en andere structuren kunnen vooral voor beginnende onderzoekers verwarrend zijn. Daarnaast kunnen verschillende soorten parasieteneitjes op elkaar lijken.
Betrouwbaarheid hangt daarom ook af van het vermogen om:
- relevante parasieteneitjes te herkennen;
- artefacten daarvan te onderscheiden;
- twijfelgevallen kritisch te beoordelen;
- consequent dezelfde telregels te hanteren.
Dat is een vaardigheid die zich ontwikkelt door veel te kijken, te vergelijken en te oefenen.
Iedere telmethode heeft een detectiegrens
Een McMaster-telling is een kwantitatieve schatting. Je onderzoekt niet alle mest die een paard produceert en zelfs niet het volledige verzamelde mestmonster.
Iedere gebruikte methode heeft bovendien een bepaalde detectiegrens. Daardoor betekent een uitslag van 0 EPG niet dat er gegarandeerd nergens een enkel eitje aanwezig is.
De correcte interpretatie is dat binnen het onderzochte materiaal en met de gebruikte methode geen eitjes zijn aangetroffen.
Vooral bij lage aantallen kan natuurlijke variatie tussen monsters en tellingen relatief veel invloed hebben op het uiteindelijke getal.
Daarom moeten kleine verschillen tussen twee lage EPG-waarden niet automatisch worden geïnterpreteerd alsof er biologisch een grote verandering heeft plaatsgevonden.
Een EPG is geen telling van het aantal wormen
Dit is een van de belangrijkste beperkingen bij het interpreteren van een mestonderzoek.
Een EPG-waarde geeft aan hoeveel eitjes per gram mest met de gebruikte methode zijn aangetroffen.
Die waarde vertelt niet rechtstreeks hoeveel wormen er in het paard aanwezig zijn en is ook geen directe maat voor de schade die eventuele parasieten veroorzaken.
Een paard met een hogere EPG heeft dus niet automatisch een evenredig groter aantal wormen in de darm. Ook kun je uit een wormeitelling alleen niet afleiden of parasieten verantwoordelijk zijn voor bepaalde ziekteverschijnselen.
Mestonderzoek is vooral geschikt om ei-uitscheiding te meten en die informatie te gebruiken binnen het bredere wormmanagement.
Lees ook het artikel: Wat betekent een EPG-waarde?
Een negatieve uitslag betekent niet ‘geen wormen’
Wanneer je geen wormeitjes vindt, is de juiste conclusie:
Met deze onderzoeksmethode zijn in het onderzochte monster geen aantoonbare eitjes gevonden.
Dat is iets anders dan:
Dit paard heeft geen wormen.
Een infectie kan zich bijvoorbeeld nog in een ontwikkelingsstadium bevinden waarin geen eitjes worden geproduceerd. Andere parasieten worden onregelmatig uitgescheiden of zijn met de gekozen methode helemaal niet goed aantoonbaar.
Een negatieve uitslag kan dus een betrouwbare uitslag zijn van het uitgevoerde onderzoek, terwijl er tegelijkertijd parasieten aanwezig kunnen zijn die met dat onderzoek niet worden aangetoond.
Eén onderzoek blijft een momentopname
Ook een zorgvuldig uitgevoerd onderzoek vertelt wat er op dat moment in het onderzochte mestmonster aantoonbaar is.
De situatie van een paard kan veranderen. Parasieten kunnen zich verder ontwikkelen, nieuwe infecties kunnen worden opgedaan en de ei-uitscheiding kan in de loop van de tijd veranderen.
Daarom krijgt mestonderzoek binnen wormmanagement veel meer waarde wanneer uitslagen over langere tijd worden bewaard en met elkaar worden vergeleken.
Je bouwt dan een historie op van het individuele paard in plaats van iedere uitslag als een op zichzelf staand oordeel te behandelen.
Wanneer kun je op een uitslag vertrouwen?
Een mestonderzoek geeft bruikbare informatie wanneer:
- de gekozen onderzoeksmethode past bij de vraag die je wilt beantwoorden;
- het mestmonster geschikt en representatief is;
- het onderzoek zorgvuldig en consequent wordt uitgevoerd;
- de onderzoeker weet wat hij of zij onder de microscoop ziet;
- rekening wordt gehouden met de detectiegrens en natuurlijke variatie van de methode;
- de uitslag wordt geïnterpreteerd binnen de mogelijkheden én beperkingen van het onderzoek.
De betrouwbaarheid van mestonderzoek zit dus niet in de belofte dat je met één test alles weet.
De kracht zit in zorgvuldig onderzoeken, weten wat je meet en begrijpen wat de uitslag wel en niet betekent.
Zelf betrouwbaar mestonderzoek leren doen
Zelf mestonderzoek doen is goed te leren. Maar betrouwbare resultaten vragen meer dan het bezit van een microscoop, een telkamer en een geschreven protocol.
Een aantal praktische onderdelen kun je uitstekend uit een duidelijke instructie leren. Andere vaardigheden moet je ervaren: zien hoe een goed voorbereid monster eruitziet, leren herkennen wat je onder de microscoop ziet en ervaren welke invloed je eigen manier van werken op de telling heeft.
Daarom combineren we bij De Mestonderzoekshop schriftelijke instructies met praktische cursussen. In de cursus ligt de nadruk juist op die onderdelen die je niet goed uit alleen tekst of afbeeldingen kunt leren.
- Het laatste mestonderzoek was meer dan 4 maanden geleden gedaan
- Er was slecht 1 x een mestonderzoek gedaan
- De eigenaar weet eigenlijk niet wat de uitslag was van dat mestonderzoek, maar er hoefde niet ontwormt te worden
- Met mestonderzoek tel je eitjes van volwassen wormen in de mest;
- Het kan zijn dat je net een monster hebt genomen wanneer er (geen) actieve volwassen wormen aanwezig zijn, maar wel andere stadia (bijvoorbeeld net na de winter);
- Deze andere stadia zullen (afhankelijk van de wormsoort) na enige tijd wel volwassen wormen of actief zijn geworden, en dus een betrouwbaar resulaat voor je mestonderzoek bij het paard;
- Daarnaast kan het ook zo zijn dat het paard inderdaad geen wormbesmetting heeft bij een schoonmestonderzoek. Dit zegt echter niets over je weiland en de omgeving van het paard;
- Na het schone mestonderzoek kan het paard dus gemakkelijk weer een nieuwe besmetting opdoen, deze eventuele nieuwe besmetting signaleer je op tijd als regelmatig mestonderzoek doet;
- En het grote voordeel van regelmatige mestonderzoek doe is ook dat je een geringe besmetting kunt monitoren, en in overleg met je dierenarts pas hoeft in te grijpen met een ontwormmiddel als deze besmetting groter wordt.
