Je hebt mestonderzoek gedaan en een EPG vastgesteld. Wat moet je nu met die uitslag?
Kijk daarvoor eerst welke parasiet je hebt gevonden. Alleen bij bloedworm gebruiken we de hoogte van de EPG om het vervolg te bepalen.
Andere parasiet dan bloedworm gevonden?
Vind je eitjes van een andere parasiet dan bloedworm, zoals spoelworm of lintworm? Neem dan altijd contact op met je dierenarts voor een gerichte behandeling.
Neem contact op met je dierenarts om de behandeling te bespreken.
Bloedworm: EPG <200
Een EPG onder de 200 is een lage ei-uitscheiding.
- Behandeling is op basis van deze uitslag niet nodig.
- Bespreek de uitslag altijd met de dierenarts. Leeftijd, voorgeschiedenis of andere omstandigheden kunnen aanleiding zijn om hiervan af te wijken.
- Plan uiterlijk over 8 weken een nieuw mestonderzoek.
Bij paarden die bij herhaald onderzoek consequent laag blijven, kan met een lagere frequentie worden onderzocht.
Bloedworm: 200 500
Een EPG tussen de 200 en 500 noemen wij matige ei-uitscheiding.
Dit is niet automatisch een reden om direct te behandelen. De ei-uitscheiding is echter duidelijk hoger en kan verder oplopen.
- Overleg met je dierenarts of behandeling in de situatie van dit paard nodig is.
- Wanneer in overleg met de dierenarts wordt besloten niet te behandelen, plan dan uiterlijk na 4 weken een nieuw mestonderzoek.
Zo voorkom je dat een stijgende ei-uitscheiding lange tijd onopgemerkt blijft.
Bloedworm: 500 EPG of hoger
Dit is een hoge ei-uitscheiding.
- Neem contact op met je dierenarts om behandeling te bespreken.
- Plan direct ook onderzoek in om de effectiviteit van de kuur te controleren (FECRT/WERT).
- Plan ongeveer 8 weken na de behandeling opnieuw mestonderzoek.
Zie ook de instructie: Hoe bereken ik de FECRT of WERT?
Waarom gebruiken wij 200 en 500 EPG als grenzen?
De internationale richtlijnen hanteren 200 en 500 EPG als praktische grenzen voor de interpretatie van strongyliden. In 2024 verscheen de KNMvD Leidraad Paard en Parasieten, waarin voor strongyliden een behandelgrens vanaf ongeveer 200 EPG wordt gehanteerd. Daarmee wijkt de Nederlandse leidraad af van de internationale indeling waarbij tot 200 EPG als lage, 200–500 EPG als matige en vanaf 500 EPG als hoge ei-uitscheiding wordt beschouwd.
Over de optimale behandelgrens bestaat wetenschappelijk discussie. Wij houden vast aan 200 en 500 EPG als praktische grenzen. Een belangrijke reden daarvoor is resistentieontwikkeling. Onderzoek waarin behandelgrenzen van 100 tot 600 EPG werden vergeleken laat zien dat lage behandelgrenzen leiden tot meer behandelingen en dat bij grenzen van 200 EPG of lager resistentie relatief snel kan worden geselecteerd. Hogere behandelgrenzen verminderen de behandelintensiteit en zorgen ervoor dat er meer wormen aanwezig blijven die niet aan het ontwormingsmiddel zijn blootgesteld. Daardoor blijft de kans kleiner dat resistente wormen zich snel verspreiden.[1]
Daarnaast liet onderzoek bij 693 paarden zien dat strongyliden-FEC-grenzen tot 500 EPG nog onderscheid maakten tussen groepen met verschillende aantallen strongyliden; hogere afkapwaarden leverden geen verdere duidelijke scheiding op.[2]
Daarom zien wij 200 EPG niet als automatische behandelgrens. Tussen 200 en 500 EPG adviseren we intensiever te monitoren en de situatie met de dierenarts te bespreken. Vanaf 500 EPG adviseren we behandeling met de dierenarts te bespreken.
Wetenschappelijke onderbouwing
[1] Leathwick DM, Sauermann CW, Nielsen MK. Managing anthelmintic resistance in cyathostomin parasites: Investigating the benefits of refugia-based strategies. International Journal for Parasitology: Drugs and Drug Resistance. 2019;10:118–124. DOI: 10.1016/j.ijpddr.2019.08.008.
[2] Nielsen MK, Baptiste KE, Tolliver SC, Collins SS, Lyons ET. Analysis of multiyear studies in horses in Kentucky to ascertain whether counts of eggs and larvae per gram of feces are reliable indicators of numbers of strongyles and ascarids present. Veterinary Parasitology. 2010;174:77–84. DOI: 10.1016/j.vetpar.2010.08.007.
Lees ook deze artikelen:
Is jouw paard gevoelig voor worminfecties?
Wat betekent het als je geen wormeitjes vindt?
