Is jouw paard gevoelig voor worminfecties?

Zet tien volwassen paarden op dezelfde weide, onder hetzelfde management, en onderzoek ze meerdere keren. Dan zul je vaak zien dat de uitslagen behoorlijk van elkaar verschillen.

Het ene paard laat keer op keer nauwelijks wormeitjes zien, terwijl een ander paard binnen dezelfde groep regelmatig een veel hogere EPG heeft.

Dat is geen toeval. Paarden verschillen daadwerkelijk in de manier waarop zij met parasieten omgaan. Leeftijd, opgebouwde afweer, individuele gevoeligheid en blootstelling spelen daarbij allemaal een rol.

Juist door een paard over langere tijd te volgen, kun je leren wat voor dat individuele paard een herkenbaar patroon is.

Sommige paarden scheiden structureel meer eitjes uit dan andere

Vooral bij strongyliden, waaronder de kleine bloedwormen, is dit verschil goed zichtbaar.

Bij volwassen paarden blijkt de mate van ei-uitscheiding vaak redelijk stabiel. Paarden die bij herhaald onderzoek weinig strongyliden-eitjes uitscheiden, blijven vaak relatief lage uitscheiders. Paarden die regelmatig hogere waarden hebben, blijken ook bij volgende onderzoeken vaker tot de hogere uitscheiders te behoren.

In de praktijk kun je daardoor binnen één groep bijvoorbeeld zien:

  • een paard dat vrijwel iedere telling laag zit;
  • een paard dat meestal ergens in het midden uitkomt;
  • een paard dat opvallend vaak tot de hogere uitscheiders behoort.

Dat maakt herhaald mestonderzoek veel waardevoller dan één losse telling.

Hoe kan dat als ze op dezelfde weide staan?

Paarden op dezelfde weide worden niet automatisch op exact dezelfde manier besmet.

Ze grazen niet allemaal op dezelfde plekken. De plaats van een paard in de rangorde kan daarbij een rol spelen. Paarden die lager in de rangorde staan, worden mogelijk vaker weggejaagd van de beste graasplekken en grazen daardoor dichter bij mestplekken, waar de infectiedruk hoger kan zijn. Ook kan een lage positie in de rangorde meer stress geven, wat mogelijk invloed heeft op de weerstand.

Maar zelfs wanneer de blootstelling vergelijkbaar is, reageren paarden niet allemaal hetzelfde op een parasitaire infectie.

Een belangrijk deel daarvan wordt bepaald door de afweer van het individuele paard. Naarmate paarden ouder worden en herhaald aan bepaalde parasieten worden blootgesteld, ontwikkelen zij een gedeeltelijke immuniteit. Die afweer kan onder andere invloed hebben op de mate waarin parasieten zich succesvol vestigen en reproduceren.

Die opgebouwde afweer is echter niet bij ieder paard even sterk.

Daarom kun je twee volwassen paarden onder vrijwel dezelfde omstandigheden hebben waarvan het ene paard consequent weinig strongyliden-eitjes uitscheidt en het andere veel meer.

Wat zegt een lage EPG over de gevoeligheid van een paard?

Bij volwassen paarden kan een herhaald lage strongyliden-EPG wel degelijk iets zeggen over de manier waarop het paard met deze parasieten omgaat.

Paarden bouwen door herhaalde blootstelling geleidelijk afweer op tegen strongyliden. Die afweer verschilt per individu. Sommige paarden zijn daardoor beter in staat de infectie onder controle te houden dan andere. In de praktijk zie je dat terug in de mestuitslagen: het ene volwassen paard blijft bij herhaald onderzoek vrijwel altijd laag, terwijl een ander paard onder vergelijkbare omstandigheden regelmatig veel meer eitjes uitscheidt.

Zo’n patroon is relevant. Een paard dat over langere tijd consequent weinig strongyliden-eitjes uitscheidt, kun je beschouwen als een lage uitscheider. Andersom zijn er paarden die duidelijk gevoeliger zijn voor het ontwikkelen van een hoge ei-uitscheiding.

Dat betekent niet dat een lage uitscheider geen wormen heeft. De afweer van het paard kan er juist voor zorgen dat de infectie zodanig wordt beheerst dat minder volwassen wormen succesvol tot voortplanting komen en/of minder eitjes worden geproduceerd.

Een lage EPG kan dus heel goed passen bij een paard dat door opgebouwde afweer relatief goed omgaat met een strongylideninfectie.

Daarbij moeten we wel twee grenzen bewaken.

Ten eerste zegt de EPG niet rechtstreeks hoeveel wormen er in het paard aanwezig zijn. Ook ingekapselde larven van kleine bloedworm zijn niet in de telling zichtbaar.

Ten tweede zegt een lage strongyliden-EPG niet dat het paard automatisch minder gevoelig is voor alle andere parasieten. Spoelworm, lintworm, aarsworm, leverbot en longworm hebben ieder hun eigen levenscyclus, risicofactoren en relatie met de afweer van het paard.

De praktische conclusie is daarom niet:

“Mijn paard heeft een lage EPG, dus het is ongevoelig voor wormen.”

Maar wel:

“Mijn volwassen paard laat bij herhaald onderzoek een lage strongyliden-ei-uitscheiding zien en lijkt deze infecties onder de huidige omstandigheden goed te beheersen.”

Dat is precies waarom een reeks uitslagen zoveel waardevoller is dan één losse mesttelling.

Een hoge EPG betekent niet automatisch dat een paard ziek is

Het omgekeerde geldt eveneens.

Een paard dat relatief veel strongyliden-eitjes uitscheidt, is daarmee niet automatisch ziek en heeft niet automatisch een evenredig grotere hoeveelheid wormen in het lichaam.

Een EPG is geen maat voor de ernst van klinische ziekte.

Wat een herhaald hoge ei-uitscheiding wél vertelt, is dat dit paard onder de betreffende omstandigheden veel eitjes aan de omgeving kan toevoegen. Voor het wormmanagement van de hele groep is dat relevante informatie.

Het paard kan daardoor bijvoorbeeld een veel grotere bijdrage leveren aan de besmetting van de weide dan een groepsgenoot die structureel weinig eitjes uitscheidt.

Leeftijd maakt veel verschil

De relatief stabiele patronen waar we hierboven over spreken gelden vooral voor volwassen paarden.

Veulens en jonge paarden zitten in een andere fase. Hun afweer tegen verschillende parasieten is nog volop in ontwikkeling en bepaalde wormsoorten, zoals spoelworm, zijn juist bij jonge paarden veel belangrijker.

Naarmate paarden ouder worden en meer afweer tegen met name strongyliden hebben opgebouwd, zien we in de praktijk doorgaans ook dat hoge ei-uitscheidingen minder vaak voorkomen dan bij jongere paarden.

Maar ook bij volwassen en oudere paarden kan de situatie veranderen.

Daarom moet je een paard nooit voor de rest van zijn leven het etiket ‘lage uitscheider’ geven op basis van een paar onderzoeken uit één periode. De uitslagen blijven altijd onderdeel van een actuele beoordeling.

Leer het normale patroon van jouw paard kennen

Hier ligt een van de grootste praktische voordelen van regelmatig mestonderzoek.

Wanneer je alleen één uitslag hebt, weet je bijvoorbeeld dat je paard op dat moment 50, 250 of 600 EPG uitscheidt.

Wanneer je meerdere jaren uitslagen bewaart, krijg je veel meer informatie.

Je kunt dan zien:

  • of een paard doorgaans laag of hoog uitscheidt;
  • of het patroon redelijk stabiel blijft;
  • of een uitslag opvallend afwijkt van wat je gewend bent;
  • hoe het paard zich verhoudt tot andere paarden onder hetzelfde management;
  • hoe uitslagen veranderen naarmate leeftijd, huisvesting of weideomstandigheden veranderen.

Een uitslag krijgt daarmee context.

Een afwijkende uitslag is aanleiding om verder te kijken

Stel dat een volwassen paard gedurende meerdere onderzoeken steeds een lage strongyliden-EPG heeft en bij een volgende telling ineens duidelijk hoger uitkomt.

Dat betekent niet automatisch dat er iets mis is met de weerstand van het paard.

Er kunnen verschillende verklaringen zijn, bijvoorbeeld:

  • een verandering in blootstelling;
  • andere weideomstandigheden;
  • een gewijzigde groepssamenstelling;
  • een langere periode sinds een eerdere behandeling;
  • normale biologische variatie;
  • of een werkelijke verandering in het patroon van het paard.

Juist daarom is de historie waardevol. Je ziet dat een uitslag afwijkt, waarna je gericht kunt nadenken over wat er veranderd is.

Zonder eerdere uitslagen zou hetzelfde getal slechts een losse waarde zijn.

Kijk per parasiet

Ook het begrip ‘gevoeligheid voor worminfecties’ moeten we niet te algemeen maken.

Een paard dat weinig strongyliden-eitjes uitscheidt, hoeft niet automatisch weinig gevoelig te zijn voor een andere parasiet.

Parasieten verschillen sterk in levenscyclus, manier van besmetten en de afweer die een paard ertegen opbouwt.

Voorbeelden:

  • strongyliden: individuele ei-uitscheiding bij volwassen paarden is vaak redelijk herkenbaar over de tijd;
  • spoelworm: vooral relevant bij veulens en jonge paarden;
  • lintworm: een gewone EPG is geen goede maat om individuele gevoeligheid vast te stellen;
  • aarsworm: wordt met een standaard mesttelling doorgaans niet betrouwbaar gevolgd;
  • leverbot en longworm: kennen weer heel andere risicofactoren en onderzoeksmethoden.

Een paard is dus niet simpelweg een ‘wormgevoelig’ of ‘wormongevoelig’ paard.

Je moet altijd kijken over welke parasiet je het hebt.

VoegWat heb je hier praktisch aan?

Het doel van een reeks mestonderzoeken is niet om ieder paard een vast label te geven.

De meerwaarde is dat je steeds beter leert wat normaal is voor jouw paard.

Dat helpt om:

  • onderzoeksmomenten beter af te stemmen;
  • uitslagen in context te beoordelen;
  • paarden die veel bijdragen aan weidebesmetting te herkennen;
  • veranderingen eerder op te merken;
  • onnodige behandelingen te helpen voorkomen;
  • en wormmanagement minder op aannames en meer op informatie te baseren.

Een paard dat je al jaren volgt, vertelt je daardoor veel meer dan een paard waarvan je alleen de laatste mestuitslag kent.

Eén uitslag is een meting, meerdere uitslagen worden een verhaal

Individuele verschillen tussen paarden zijn echt en praktisch relevant.

Maar de conclusie is niet dat je na één lage EPG kunt zeggen dat een paard ‘goede weerstand’ heeft, of na één hoge EPG dat het ‘wormgevoelig’ is.

De waarde ontstaat juist door herhaald betrouwbaar onderzoek en het herkennen van patronen over langere tijd.

Daarmee leer je niet alleen iets over de mestuitslag van vandaag, maar steeds meer over hoe jouw paard binnen zijn eigen leefomstandigheden met parasieten omgaat.

Lees ook deze artikelen:

Wanneer doe je mestonderzoek?

Wat betekent een EPG-waarde?

Wanneer is mestonderzoek betrouwbaar?