Waarom mestonderzoek doen voor je paard de weide op gaat?

Het moment voordat je paard weer de weide op gaat is een logisch moment voor mestonderzoek. Niet omdat mestonderzoek juist dán beter werkt, maar omdat een nieuw weideseizoen ook een nieuwe periode van besmetting en herbesmetting betekent.

Door vóór of rond de start van de weidegang te onderzoeken, krijg je informatie over wat je paard op dat moment aan parasieteneitjes uitscheidt voordat het gedurende langere tijd mest op het weiland achterlaat.

Met de mest komen parasieten in de leefomgeving terecht

Bij verschillende wormsoorten worden eitjes of larven met de mest uitgescheiden. Daarmee kan een besmet paard bijdragen aan de verdere verspreiding van parasieten in zijn leefomgeving.

Hoe dat vervolgens gebeurt, verschilt per parasiet.

Bij bloedwormen ontwikkelen de uitgescheiden eitjes zich op de weide verder tot infectieuze larven die paarden tijdens het grazen kunnen opnemen.

Spoelwormeitjes komen eveneens via de mest in de omgeving terecht. Ze ontwikkelen zich daar tot een infectieus stadium en kunnen vervolgens zeer lang in de omgeving overleven. Vooral bij veulens en jonge paarden is dat belangrijk.

Bij andere parasieten is de levenscyclus ingewikkelder. Zo spelen bij lintworm en leverbot tussengastheren een rol.

Het uitgangspunt blijft hetzelfde: wat een paard uitscheidt, kan van invloed zijn op de parasietenbesmetting van de omgeving waarin het paard en zijn groepsgenoten leven.

Liever weten wat er speelt voordat het weideseizoen goed op gang is

Wanneer een paard parasieteneitjes uitscheidt en vervolgens dagelijks op dezelfde weide mest, kan het gedurende het seizoen steeds verder bijdragen aan de besmetting van dat perceel.

Het is daarom nuttig om daar niet pas maanden later achter te komen.

Mestonderzoek vóór of rond de start van de weidegang kan bijvoorbeeld laten zien:

  • of er strongyliden-eitjes worden uitgescheiden;
  • of bij een jong paard spoelwormeitjes aanwezig zijn;
  • of andere met de gebruikte methode aantoonbare parasieteneitjes worden gevonden;
  • hoe een uitslag zich verhoudt tot eerdere onderzoeken van hetzelfde paard.

Bij een kwantitatieve wormeitelling kun je bovendien bepalen hoeveel eitjes van bepaalde wormsoorten worden uitgescheiden. Dat helpt om verschillen tussen paarden zichtbaar te maken.

Niet ieder paard draagt evenveel bij aan de besmetting

Vooral bij strongyliden is bekend dat volwassen paarden sterk verschillen in de hoeveelheid eitjes die ze uitscheiden.

Sommige paarden hebben bij herhaald onderzoek doorgaans een lage EPG, terwijl andere paarden binnen dezelfde groep regelmatig veel meer eitjes uitscheiden. Die laatste groep levert daarmee ook een grotere bijdrage aan de besmetting van de weide met strongyliden.

Daarom heeft het weinig zin om automatisch aan te nemen dat alle paarden in een groep dezelfde parasietenstatus hebben en hetzelfde moeten worden benaderd.

Door resultaten over langere tijd te bewaren, krijg je steeds beter zicht op het individuele patroon van een paard. Fecale eitellingen worden juist gebruikt om die verschillen tussen lage en hoge uitscheiders zichtbaar te maken en daarmee de besmetting van de weide te helpen beperken.

Het voorjaar is vooral een startpunt

Een voorjaarsonderzoek is geen jaarlijkse APK waarbij één goede uitslag betekent dat je de rest van het jaar niets meer hoeft te doen.

De situatie kan gedurende het weideseizoen veranderen. Paarden kunnen nieuwe infecties oplopen en parasieten die op het moment van het eerste onderzoek nog geen eitjes produceerden, kunnen dat later wel gaan doen.

Daarom is een onderzoek vóór de weidegang vooral een goed vertrekpunt voor verdere monitoring.

Wanneer je nog weinig weet over een volwassen paard, zijn meerdere onderzoeken verspreid over het weideseizoen nodig om een bruikbaar beeld van de ei-uitscheiding op te bouwen. Bij paarden waarvan inmiddels uit meerdere jaren betrouwbare uitslagen beschikbaar zijn, kan de monitoring vervolgens beter op het individuele paard worden afgestemd.

Lees ook het artikel: Wanneer doe je mestonderzoek?

Een lage uitslag betekent niet dat het paard ‘wormvrij’ de weide op gaat

Ook bij een voorjaarsonderzoek moet je goed begrijpen wat een uitslag betekent.

Een lage of negatieve wormeitelling betekent dat je met de gebruikte methode weinig of geen aantoonbare eitjes hebt gevonden. Het betekent niet dat er gegarandeerd geen parasieten aanwezig zijn.

Zo zijn bijvoorbeeld ingekapselde larven van kleine bloedworm niet met een gewone wormeitelling aantoonbaar, omdat deze larven nog geen eitjes produceren. Ook andere parasieten of ontwikkelingsstadia kunnen buiten het bereik van de gebruikte onderzoeksmethode vallen.

Gebruik de uitslag daarom als informatie binnen het totale wormmanagement en niet als bewijs dat een paard volledig vrij is van parasieten.

Lees ook het artikel: Welke parasieten kun je met mestonderzoek aantonen?

Bij jonge paarden is extra aandacht nodig

Een schema voor volwassen paarden kun je niet zonder meer toepassen op veulens en jonge paarden.

Bij jonge paarden speelt bijvoorbeeld spoelworm een veel grotere rol. Spoelwormeitjes die met de mest op de weide of paddock terechtkomen, zijn bovendien bijzonder resistent en kunnen lang in de omgeving infectieus blijven.

Daarom is het juist bij jonge paarden belangrijk om niet alleen naar strongyliden te kijken, maar breed te beoordelen welke parasieten voor dat paard op dat moment relevant zijn.

Leeftijd is dus een belangrijk onderdeel van de vraag wanneer je onderzoekt en hoe je de uitslag gebruikt.

Mestonderzoek en weidemanagement horen bij elkaar

Mestonderzoek vertelt je wat paarden aan aantoonbare parasietstadia uitscheiden. Goed weidemanagement helpt vervolgens de kans te verkleinen dat die uitgescheiden parasieten uiteindelijk weer door paarden worden opgenomen.

Denk daarbij bijvoorbeeld aan:

  • mest verwijderen;
  • voorkomen van overbegrazing;
  • een passende bezettingsgraad;
  • maaien of hooien;
  • verweiden;
  • beweiden met andere diersoorten;
  • de manier waarop percelen gedurende het jaar worden gebruikt.

Welke maatregelen effectief zijn, hangt af van de parasiet, de omstandigheden en de manier waarop ze worden uitgevoerd. We behandelen die maatregelen daarom gezamenlijk in een apart artikel over weidemanagement, in plaats van als losse trucjes. Actuele kennis over wormbeheer onderstreept juist het belang van de combinatie van monitoring en maatregelen die de infectiedruk vanuit de omgeving beperken.

Lees ook het artikel: Weidemanagement en wormbesmetting: wat helpt?

Begin het weideseizoen met informatie, niet met aannames

Mestonderzoek vóór de weidegang geeft je een bruikbaar uitgangspunt voor het nieuwe seizoen.

Je weet beter wat het paard op dat moment uitscheidt, kunt de uitslag vergelijken met eerdere onderzoeken en krijgt informatie die je kunt meenemen in het verdere wormmanagement van zowel het individuele paard als de groep.

Maar het belangrijkste blijft: het moment op de kalender is niet het doel van het onderzoek. Het doel is op het juiste moment de informatie verzamelen die je nodig hebt om verantwoord keuzes te kunnen maken.

Lees ook de artikelen:

Wanneer doe je mestonderzoek?

Wanneer is mestonderzoek betrouwbaar?

Veel mensen doen mestonderzoek vlak voordat de paarden de (zomer)weide opgaat. Waarom is dit nu een handig moment om mestonderzoek te doen? Als paarden een wormbesmetting hebben worden er eitjes met de mest uitgescheiden. Deze eitjes komen vervolgens op de weide, en hier ontstaan vervolgens weer larves uit die een worminfectie bij het paard kunnen veroorzaken. Zo komt de cyclus van de worm rond. Een groot deel van de levenscyclus van de wormen bevind zich dus buiten het paard, op de weide. Voorkomen dat paardenmest vol met wormeitjes op je weide komt is dus een enorme winst in de strijd tegen worminfecties! Dus altijd vóórdat het paard op een nieuwe weide gaat: eerst mestonderzoek doen! Lees hier meer over preventieve maatregelen.