Bij regulier bloedonderzoek kan een verhoogde bèta-globulinewaarde worden gevonden. Daaruit wordt soms te snel geconcludeerd dat er sprake is van een worminfectie.
Die conclusie kun je op basis van deze bloedwaarde alleen niet trekken. Een verhoogde bèta-globulinewaarde vertelt niet welke parasiet eventueel aanwezig is, niet hoe ernstig een mogelijke infectie is en ook niet of die infectie op dat moment nog aanwezig is.
Juist dat laatste is belangrijk: uit onderzoek blijkt dat deze bloedwaarden ook na een aantoonbaar succesvolle behandeling verhoogd kunnen blijven.[1]
Wat betekent zo’n uitslag dan wel?
Een verhoogde bèta-globulinewaarde kan passen bij een worminfectie en kan daarom aanleiding zijn om verder te onderzoeken of parasieten een rol spelen.
De bloeduitslag zelf is echter geen bewijs voor een actuele worminfectie.
Wat kun je het beste doen?
Als de bloeduitslag aanleiding geeft om aan wormen te denken, is de logische volgende stap om te proberen vast te stellen welke parasiet eventueel aanwezig is.
Dat kan bijvoorbeeld met mestonderzoek of, afhankelijk van de verdenking, met een andere onderzoeksmethode.
Pas daarna kun je samen met de dierenarts bepalen of behandeling nodig is en welk middel daarbij past.
Wetenschappelijke onderbouwing
[1] Abbott JB, Mellor DJ, Love S. Assessment of serum protein electrophoresis for monitoring therapy of naturally acquired equine cyathostomin infections. Veterinary Parasitology. 2007;147:110–117. DOI: 10.1016/j.vetpar.2007.03.020.
In dit onderzoek werden paarden met een natuurlijke kleine-bloedworminfectie behandeld en vervolgens tot 80 dagen gevolgd. Ondanks aantoonbaar succesvolle behandeling veranderden de gemeten bloedeiwitten niet op een manier waarmee kon worden vastgesteld of de infectie nog aanwezig was.
Lees ook deze artikelen:
Welke parasieten kun je met mestonderzoek aantonen?
Wat betekent een EPG-waarde bij mestonderzoek?
