Resistentie tegen wormmiddelen: hoe ontstaat het en wat kun je doen?

Resistentie tegen ontwormmiddelen is een van de belangrijkste redenen om wormmiddelen bij paarden zo gericht mogelijk te gebruiken.

Maar wat betekent resistentie eigenlijk?

Niet het paard wordt resistent tegen een wormmiddel. Het zijn de wormen die steeds minder gevoelig kunnen worden voor een werkzame stof.

In feite is dat gewoon evolutie. De wormen die een behandeling overleven, krijgen de kans zich voort te planten en hun eigenschappen door te geven.

Als dat proces zich vaak genoeg herhaalt, neemt resistentie toe. Dat kan langzaam gaan, maar soms ook verrassend snel.

Resistentie kun je daarom niet volledig voorkomen. Je kunt er wel voor zorgen dat het zo langzaam mogelijk ontstaat door ontwormmiddelen gericht en zorgvuldig te gebruiken.

Hoe ontstaat resistentie?

Binnen een wormpopulatie zijn niet alle wormen hetzelfde.

Sommige wormen hebben eigenschappen waardoor ze een bepaald ontwormmiddel beter overleven dan andere wormen.

Wanneer je het paard behandelt:

  1. worden vooral de gevoelige wormen gedood;
  2. kunnen minder gevoelige of resistente wormen overleven;
  3. deze wormen kunnen zich vervolgens voortplanten;
  4. hun nakomelingen kunnen dezelfde eigenschappen erven.

Wanneer dit zich steeds opnieuw herhaalt, wordt het aandeel resistente wormen in de populatie steeds groter.

Het ontwormmiddel zorgt dus niet dat een worm tijdens zijn leven resistent wordt. De behandeling zorgt ervoor dat de wormen die het middel beter kunnen overleven een steeds groter aandeel van de populatie gaan vormen.

Iedere behandeling veroorzaakt selectiedruk

Dat betekent niet dat ontwormen verkeerd is.

Wanneer een paard behandeling nodig heeft, moet het behandeld kunnen worden met een middel dat werkzaam is tegen de betreffende parasiet.

Maar iedere keer dat een wormpopulatie met een ontwormmiddel in aanraking komt, ontstaat selectiedruk.

Hoe vaker wormen worden blootgesteld aan een werkzame stof, hoe vaker de gevoelige wormen uit de populatie worden verwijderd en resistente wormen een voordeel krijgen.

Daarom is het niet de bedoeling om zo vaak mogelijk te ontwormen, maar om alleen te behandelen wanneer daar een goede reden voor is.

Waarom zijn onbehandelde wormen juist belangrijk?

Dit klinkt misschien tegenstrijdig, maar voor het vertragen van resistentie is het belangrijk dat niet álle wormen voortdurend aan een ontwormmiddel worden blootgesteld.

Het deel van de wormpopulatie dat niet met het middel in contact komt, noemen we refugia.

Dat kunnen bijvoorbeeld zijn:

  • wormen in paarden die op dat moment niet worden behandeld;
  • eitjes en larven op de weide die niet aan het wormmiddel zijn blootgesteld;
  • parasietstadia in het paard die door het gebruikte middel niet worden bereikt.

Deze onbehandelde populatie bevat veel wormen die nog gewoon gevoelig zijn voor het ontwormmiddel.

Wanneer resistente wormen na behandeling overleven, kunnen hun nakomelingen zich mengen met de veel grotere populatie gevoelige wormen uit refugia. Daardoor verspreidt resistentie zich minder snel door de totale wormpopulatie.

Een wormvrije paardenpopulatie nastreven is vanuit resistentieoogpunt daarom juist niet wenselijk.

Waarom mestonderzoek helpt

Bij volwassen paarden scheidt een relatief klein deel van de paarden vaak een groot deel van de bloedwormeitjes uit.

Met regelmatig mestonderzoek kun je herkennen welke paarden veel eitjes uitscheiden en welke paarden herhaaldelijk weinig uitscheiden.

Daardoor hoef je niet automatisch ieder paard op hetzelfde moment te behandelen.

Een paard met een lage bloedworm-EPG hoeft op basis van die uitslag niet automatisch te worden ontwormd. Daarmee voorkom je een behandeling die mogelijk niet nodig is én blijven gevoelige wormen in refugia aanwezig.

Bij jonge paarden en bij andere parasieten, zoals spoelworm, werkt wormmanagement anders. Mestonderzoek is dus een hulpmiddel binnen het totale wormmanagement en geen universele regel om wel of niet te behandelen.

Gebruik het juiste middel voor de juiste parasiet

Niet ieder wormmiddel werkt tegen iedere parasiet.

Bovendien verschilt de resistentieproblematiek per wormsoort en per groep werkzame stoffen.

Zo is bij kleine bloedworm al zeer veel resistentie bekend tegen verschillende oudere wormmiddelen en is inmiddels ook resistentie tegen middelen uit de groep van ivermectine en moxidectine aangetoond.

Bij spoelworm (Parascaris) komt juist veel resistentie voor tegen ivermectine en moxidectine.

Daarom heeft het weinig zin om simpelweg steeds een ‘breed’ middel te gebruiken in de hoop daarmee alles te bestrijden.

De vraag moet eerst zijn:

Welke parasiet willen we behandelen en welk middel is daar naar verwachting nog voldoende werkzaam tegen?

Wisselen van wormmiddel voorkomt resistentie niet automatisch

Soms wordt geadviseerd om ieder jaar of iedere behandeling een andere werkzame stof te gebruiken om resistentie te voorkomen.

Zo eenvoudig werkt het niet.

Zomaar afwisselen tussen wormmiddelen voorkomt de selectie van resistente wormen niet. Je kunt daarmee zelfs verschillende groepen middelen onnodig aan selectiedruk blootstellen.

Het doel is daarom niet zo veel mogelijk afwisselen, maar:

  • alleen behandelen als daar aanleiding voor is;
  • een middel kiezen dat past bij de parasiet die je wilt behandelen;
  • het middel correct doseren;
  • controleren of het middel daadwerkelijk voldoende heeft gewerkt.

Doseer voldoende

Een ontwormmiddel moet worden toegediend in de juiste dosering voor het gewicht van het paard.

Onderdoseren is ongewenst. Wormen worden dan aan een concentratie van het middel blootgesteld die mogelijk onvoldoende is om ze te doden, waardoor minder gevoelige wormen een selectievoordeel kunnen krijgen.

Schat het gewicht daarom niet bewust te laag in en zorg dat het paard de volledige voorgeschreven dosis daadwerkelijk binnenkrijgt. Als je in de gelegenheid bent een paard te wegen, is dat ideaal.

Een belangrijk aspect hierbij is dat paarden niet altijd gemakkelijk zijn met het toedienen van een wormspuit. Controleer altijd of al het wormmiddel wordt doorgeslikt. Als er toch een deel wordt uitgespuugd, bestaat het risico dat er ondergedoseerd is.

Controleer of een wormmiddel nog werkt

Dat een paard een wormkuur heeft gekregen, betekent niet automatisch dat de behandeling ook voldoende effectief is geweest.

Bij wormen waarvan de eitjes met kwantitatief mestonderzoek kunnen worden gevolgd, kan dit worden gecontroleerd met een Faecal Egg Count Reduction Test (FECRT), ook wel WormEi Reductie Test (WERT) genoemd.

Daarbij vergelijk je het aantal wormeitjes vóór behandeling met het aantal na behandeling. We spreken van effectief, als minimaal 95% van de EPG is gereduceerd.

Blijkt de daling kleiner dan verwacht (<95%), dan kan dat aanleiding zijn om verder te onderzoeken of er sprake is van verminderde werkzaamheid of resistentie.

Een onvoldoende reductie kan ook andere oorzaken hebben, bijvoorbeeld een verkeerde dosering of een deel van de wormpasta dat niet is opgenomen. Voor een betrouwbare beoordeling van resistentie op bedrijfsniveau zijn daarom meerdere paarden en een goede onderzoeksopzet nodig.

Lees ook dit artikel: Equest en Equest Pramox: hoe zit het met resistentie?

Resistentie is inmiddels een serieus probleem

Resistentie bij paardenwormen is geen theoretisch toekomstprobleem.

Bij kleine bloedworm is resistentie tegen benzimidazolen wereldwijd zeer algemeen en komt ook resistentie tegen pyrantel veel voor. De afgelopen jaren is bovendien daadwerkelijke resistentie tegen macrocyclische lactonen, waaronder ivermectine en moxidectine, beschreven.

Ook bij spoelworm is resistentie tegen verschillende ontwormmiddelen bekend.

Dat is extra belangrijk omdat er al tientallen jaren geen nieuwe groep ontwormmiddelen voor paarden beschikbaar is gekomen.

We moeten dus zorgvuldig omgaan met de middelen die nog werkzaam zijn.

Wat kun je zelf doen?

Verantwoord wormmanagement draait daarom niet om zo weinig mogelijk behandelen en ook niet om zo veel mogelijk behandelen.

Het draait om zo gericht mogelijk behandelen.

Dat betekent:

  1. Gebruik mestonderzoek om te bepalen wat er speelt.
  2. Behandel niet automatisch alle volwassen paarden volgens hetzelfde vaste schema.
  3. Kies een middel dat past bij de parasiet die behandeld moet worden.
  4. Doseer correct en zorg dat het paard alles binnenkrijgt.
  5. Controleer de werkzaamheid met een FECRT/WERT wanneer dat relevant is.
  6. Verlaag met goed weide- en stalmanagement de infectiedruk, zodat minder behandelingen nodig zijn.
  7. Laat voldoende refugia bestaan om de selectie van resistentie te vertragen.

Het doel is niet om ieder wormeitje uit de paardenpopulatie te verwijderen.

Het doel is om worminfecties zo te beheersen dat de gezondheid van paarden beschermd wordt, terwijl we de beschikbare ontwormmiddelen zo lang mogelijk werkzaam houden; wormmanagement

Wetenschappelijke onderbouwing

Kaplan RM, Nielsen MK. Anthelmintic resistance in equine nematodes: Current status and emerging trends. International Journal for Parasitology: Drugs and Drug Resistance. 2022;20:76–88.

Leathwick DM, Sauermann CW, Nielsen MK. Managing anthelmintic resistance in cyathostomin parasites: Investigating the benefits of refugia-based strategies. International Journal for Parasitology: Drugs and Drug Resistance. 2019;10:118–124. DOI: 10.1016/j.ijpddr.2019.08.008.

Rendle D, et al. Equine parasite control: BEVA primary care clinical guidelines. Equine Veterinary Journal. 2024.

Lees ook dit artikel: Weidemanagement en worminfecties: wat kun je preventief doen?

Lees ook dit artikel: Stalhygiëne en worminfecties: wat kun je preventief doen?

Lees ook dit artikel: Wat betekent een EPG-waarde bij mestonderzoek?