Misverstanden over mestonderzoek: wat klopt wel en niet?

Mestonderzoek wordt steeds vaker gebruikt als onderdeel van verantwoord wormmanagement. Toch bestaan er nog veel misverstanden over wat je met een mestonderzoek kunt aantonen, wanneer onderzoek zinvol is en wat je vervolgens met een uitslag moet doen.

Sommige van die misverstanden ontstaan doordat mestonderzoek te eenvoudig wordt voorgesteld. Andere komen juist voort uit het idee dat een mestonderzoek pas waardevol is als het álles over de wormbesmetting van een paard kan vertellen.

De werkelijkheid ligt genuanceerder. Mestonderzoek is een waardevol meetinstrument, zolang je begrijpt wat je meet en wat je niet meet.

1. ‘Een negatieve uitslag betekent dat mijn paard geen wormen heeft’

Nee.

Een negatieve mestuitslag betekent dat met de gebruikte onderzoeksmethode in het onderzochte monster geen aantoonbare parasietstadia zijn gevonden.

Dat is iets anders dan zeggen dat er geen parasieten in het paard aanwezig zijn.

Sommige parasieten of ontwikkelingsstadia zijn met een standaard wormeitelling niet aantoonbaar. Ingekapselde larven van kleine bloedworm leggen bijvoorbeeld geen eitjes. Ook een jonge spoelworminfectie kan nog weken aanwezig zijn voordat er eitjes in de mest verschijnen.

Daarnaast worden bijvoorbeeld lintwormeitjes onregelmatig uitgescheiden.

Een negatieve uitslag moet dus altijd worden geïnterpreteerd binnen de mogelijkheden en beperkingen van de gebruikte methode.

Lees ook: Welke parasieten kun je met mestonderzoek aantonen?

2. ‘Aan de EPG kun je zien hoeveel wormen mijn paard heeft’

Nee.

EPG betekent eitjes per gram mest. De waarde geeft aan hoeveel eitjes met de gebruikte methode in het onderzochte mestmonster zijn gevonden.

Een EPG van 500 betekent dus niet dat een paard een bepaald aantal wormen heeft en ook niet automatisch dat een infectie vijf keer zo ernstig is als bij 100 EPG.

De hoeveelheid geproduceerde eitjes kan onder andere verschillen door parasietensoort, individuele wormen, het paard zelf en biologische variatie.

Een EPG is vooral een maat voor ei-uitscheiding.

Dat is waardevolle informatie, bijvoorbeeld om paarden door de tijd heen te volgen en om vast te stellen welke dieren veel bijdragen aan de besmetting van hun omgeving.

Lees ook: Wat betekent een EPG-waarde?

3. ‘Als ik mestonderzoek doe, hoef ik niet meer te ontwormen’

Ook dat klopt niet.

Het doel van mestonderzoek is niet om ontwormen af te schaffen. Het doel is om ontwormmiddelen gerichter te gebruiken en onnodige behandelingen zoveel mogelijk te voorkomen.

Er kunnen situaties zijn waarin behandeling nodig of verstandig is, ook wanneer een standaard wormeitelling weinig of geen eitjes laat zien. Niet iedere relevante parasiet of ieder ontwikkelingsstadium is immers met zo’n telling aantoonbaar.

Andersom is het evenmin verstandig om ieder paard volgens een vast schema te behandelen zonder te kijken wat er daadwerkelijk speelt.

Goed wormmanagement bestaat daarom niet uit:

óf mestonderzoek óf ontwormen

maar uit het verantwoord combineren van onderzoek, kennis van parasieten, individuele risicofactoren, management en waar nodig behandeling.

4. ‘Een paar vaste onderzoeksmomenten per jaar werken voor ieder paard’

Nee.

Een schema kan handig zijn om onderzoek niet te vergeten, maar paarden zijn geen kalenderproducten.

Een volwassen paard dat al meerdere jaren consequent weinig strongyliden-eitjes uitscheidt vraagt om een andere monitoring dan een jong paard, een nieuwe aanwinst of een paard dat herhaaldelijk hoge uitslagen heeft.

Juist veulens en jonge paarden laten zien waarom een te eenvoudig schema risico’s kan opleveren. Parasieten die voor hen belangrijk zijn, zoals spoelworm, volgen hun eigen levenscyclus en niet de data van een algemeen jaarschema.

Een “makkelijk” schema mag daarom nooit de plaats innemen van nadenken over het individuele paard.

Lees ook: Wanneer doe je mestonderzoek?

5. ‘In de winter heeft mestonderzoek geen zin’

Dat klopt evenmin.

Een wormeitelling wordt niet onbetrouwbaar zodra het winter wordt of de eerste nachtvorst is geweest.

Wel verandert in de winter de parasitologische situatie. De ontwikkeling en overleving van parasieten in de omgeving veranderen en sommige parasieten kunnen zich in een stadium bevinden dat met mestonderzoek niet zichtbaar is.

Dat betekent dat je de uitslag in de juiste context moet plaatsen — niet dat je in de winter maar helemaal moet stoppen met onderzoeken.

Bij jonge paarden kan onderzoek in de winter juist bijzonder relevant zijn.

Lees ook: Mestonderzoek in de winter

6. ‘Als ik ieder jaar een najaars- of winterkuur geef, zit ik altijd goed’

Nee.

Een ontwormmiddel is geen universele resetknop.

Middelen verschillen in werkzaamheid tegen verschillende parasieten en ontwikkelingsstadia. Daarnaast komt resistentie voor, waardoor een middel waar je op papier werkzaamheid van zou verwachten in de praktijk onvoldoende kan werken.

Een standaard winterkuur vervangt daarom niet het nadenken over:

  • welke parasieten voor het paard relevant zijn;
  • wat eerdere onderzoeken hebben laten zien;
  • leeftijd;
  • eerdere behandelingen;
  • bekende resistentie;
  • leef- en weideomstandigheden.

Lees ook: Als ik mijn paard een najaarskuur of winterkuur geef, is dat dan afdoende?

7. ‘Zelf mestonderzoek doen is eenvoudig: je hoeft alleen het stappenplan te volgen’

Zelf mestonderzoek is goed te leren, maar betrouwbaar onderzoek is meer dan het afvinken van een protocol.

Sommige onderdelen kun je uitstekend uit een duidelijke instructie leren, zoals het berekenen van de EPG, het correct gebruiken van bepaalde materialen of het aanmaken van flotatievloeistof.

Andere vaardigheden zitten vooral in de uitvoering.

Hoe goed is een monster gemengd? Hoe representatief neem je materiaal op? Wat zie je daadwerkelijk onder de microscoop? Is iets een wormeitje of een structuur uit het voer? Werk je iedere keer voldoende consequent?

Dat zijn vaardigheden die groeien door voordoen, oefenen, vergelijken en feedback krijgen.

Een geschreven protocol kan vertellen wat je moet doen. Voor betrouwbaar onderzoek moet je ook leren hoe je het goed doet.

Lees ook: Kan ik zelf betrouwbaar mestonderzoek doen?

8. ‘Mestonderzoek is alleen nuttig als je paard klachten heeft’

Juist niet.

Wanneer een paard duidelijke ziekteverschijnselen heeft, is mestonderzoek maar één van de mogelijke diagnostische hulpmiddelen en kan beoordeling door een dierenarts noodzakelijk zijn.

De grootste waarde van regelmatig mestonderzoek zit juist in monitoring voordat er problemen ontstaan.

Door uitslagen door de tijd heen te volgen kun je bijvoorbeeld zien:

  • welke paarden structureel veel of weinig eitjes uitscheiden;
  • of een patroon verandert;
  • welke dieren veel bijdragen aan besmetting van de omgeving;
  • of aanvullend onderzoek aanleiding verdient;
  • en, met een daarvoor geschikte opzet, of een ontwormmiddel voldoende werkzaam is.

Mestonderzoek is daarmee vooral een instrument voor informatiegestuurd wormmanagement, niet alleen een test die je uitvoert nadat een paard ziek is geworden.

Mestonderzoek is geen wondermiddel — maar ook geen schijnzekerheid

Goed gebruikt geeft mestonderzoek waardevolle informatie die je zonder onderzoek simpelweg niet hebt.

Maar de kwaliteit daarvan hangt af van drie dingen:

betrouwbaar onderzoeken, begrijpen wat de gebruikte methode meet en de uitslag in de juiste context interpreteren.

Wie van mestonderzoek verwacht dat één monster alle parasieten uitsluit, verwacht er te veel van.

Wie concludeert dat mestonderzoek daarom weinig waarde heeft, doet het juist tekort.

De kracht zit ertussenin: meten wat meetbaar is, de beperkingen kennen en die informatie gebruiken om wormmanagement beter te onderbouwen.

Lees ook de volgende artikelen:

Wat is mestonderzoek?

Wanneer is mestonderzoek betrouwbaar?

Welke parasieten kun je met mestonderzoek aantonen? 

Bekijk het cursusaanbod →