Welke parasieten kun je met mestonderzoek aantonen?

Niet iedere parasiet bij het paard is met dezelfde vorm van mestonderzoek aantoonbaar. Dat is belangrijk om te begrijpen, omdat een negatieve uitslag alleen iets zegt over de parasieten en ontwikkelingsstadia die met de gebruikte methode aantoonbaar zijn.

Een paard kan dus een negatieve standaard wormeitelling hebben en toch een parasitaire infectie hebben die met die methode niet, nog niet of onvoldoende betrouwbaar wordt gevonden.

Bloedwormen

Bij een standaard mestonderzoek volgens de McMaster-methode worden de eitjes van strongyliden geteld. Hieronder vallen zowel de grote als de kleine bloedwormen.

De eitjes van grote en kleine bloedwormen lijken microscopisch sterk op elkaar. Met een gewone wormeitelling kun je daarom wel bepalen hoeveel strongyliden-eitjes het paard uitscheidt, maar niet betrouwbaar vaststellen van welke soort bloedworm deze afkomstig zijn.

Ook de ingekapselde larven van kleine bloedworm zijn met een gewone mesttelling niet aantoonbaar. Deze larven bevinden zich in de darmwand en zijn nog niet volwassen. Ze leggen dus geen eitjes die in de mest teruggevonden kunnen worden.

Een lage of negatieve wormeitelling sluit de aanwezigheid van ingekapselde kleine bloedworm daarom niet uit.

Spoelworm

Spoelwormeitjes (Parascaris spp.) zijn goed herkenbaar en kunnen met een standaard mestonderzoek worden aangetoond.

Spoelworm is vooral belangrijk bij veulens en jonge paarden. Bij volwassen paarden komt een relevante spoelworminfectie veel minder vaak voor.

Een belangrijke beperking is dat een besmetting niet direct na infectie in de mest zichtbaar wordt. De opgenomen larven moeten zich eerst ontwikkelen en door het lichaam migreren voordat volwassen wormen eitjes gaan produceren.

Het kan tot ongeveer 12 weken duren voordat spoelwormeitjes in de mest aantoonbaar worden.

Een negatieve mestuitslag bij een jong paard sluit een recente spoelworminfectie dus niet uit.

Veulenworm

Ook eitjes van veulenworm (Strongyloides westeri) kunnen in mest worden aangetroffen.

Deze parasiet is vooral relevant bij jonge veulens. Naarmate paarden ouder worden neemt het belang van deze parasiet sterk af.

Bij de interpretatie van een bevinding is de leeftijd van het paard daarom essentieel.

Lintworm

Lintwormeitjes kunnen in de mest worden aangetroffen, maar een gewone McMaster-telling is niet betrouwbaar genoeg om een lintworminfectie uit te sluiten.

Lintwormeitjes worden onregelmatig en niet gelijkmatig met de mest uitgescheiden. Daardoor kun je bij een besmet paard toevallig een monster onderzoeken waarin geen eitjes aanwezig zijn.

Vind je lintwormeitjes, dan weet je dat er een lintworminfectie aanwezig is.

Vind je géén lintwormeitjes, dan kun je daaruit niet concluderen dat het paard geen lintworm heeft.

Wil je meer zekerheid over een mogelijke lintworminfectie, dan kan de EquiSal Lintworm test worden gebruikt. Dit is een speekseltest waarmee op basis van de antistofrespons een inschatting van de lintwormbelasting wordt gemaakt.

Aarsworm

Een standaard mestonderzoek is geen betrouwbare methode om aarsworm (Oxyuris equi) aan te tonen.

De vrouwelijke aarsworm legt haar eitjes namelijk niet in de darm, maar rondom de anus. Daar worden de karakteristieke kleverige eipakketten afgezet.

Bij verdenking op aarsworm is daarom een plakband- of cellotapetest veel geschikter. Daarmee kan materiaal rond de anus microscopisch op aarswormeitjes worden onderzocht.

Een negatieve McMaster-telling zegt bij verdenking op aarsworm dus vrijwel niets.

Longworm

Bij longworm (Dictyocaulus arnfieldi) wordt niet gezocht naar de gebruikelijke wormeitjes die bij een McMaster-onderzoek worden geteld.

Voor longwormonderzoek wordt de Baermann-methode gebruikt. Daarbij wordt onderzocht of longwormlarven in de mest aanwezig zijn.

Longworm verdient vooral aandacht bij paarden die samenleven of weiden met ezels. Ezels kunnen longworminfecties dragen zonder duidelijke klachten te vertonen en vormen daardoor een belangrijke besmettingsbron voor paarden.

Leverbot

Voor leverbot (Fasciola hepatica) is een gewone McMaster-telling niet geschikt.

Leverboteitjes zijn relatief zwaar en gedragen zich daardoor anders dan de wormeitjes die bij een flotatiemethode naar boven worden gebracht.

Voor leverbotonderzoek wordt daarom een sedimentatiemethode, zoals de gemodificeerde Dorsman-methode, gebruikt.

Ook hierbij geldt dat de keuze van de onderzoeksmethode moet aansluiten op de parasiet die je wilt aantonen.

Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Ut elit tellus, luctus nec ullamcorper mattis, pulvinar dapibus leo.

Paardenhorzel

Bij de paardenhorzel (Gasterophilus spp.) speelt microscopisch mestonderzoek eigenlijk geen rol.

De volwassen horzel zet in de zomer en het najaar kleine gele eitjes op de haren van het paard af. Deze eitjes zijn gewoon met het blote oog zichtbaar.

Nadat het paard de larven heeft opgenomen, ontwikkelen deze zich verder in het lichaam en uiteindelijk in het maag-darmkanaal. Tijdens die periode gebeurt er niets wat met een gewone mesttelling betrouwbaar aantoonbaar is.

In het voorjaar verlaten de volgroeide larven het paard en kunnen ze zichtbaar met de mest meekomen. Ook daarvoor heb je geen microscoop nodig.

Bij paardenhorzels geldt daarom vooral: kijken.

Zie je in de zomer of het najaar de kenmerkende gele horzeleitjes op de vacht, dan weet je dat het paard aan paardenhorzels is blootgesteld. Dat is aanleiding om de horzellarven na afloop van het vliegseizoen, doorgaans na de eerste nachtvorst, mee te nemen in de behandeling.

Niet iedere infectie is meteen aantoonbaar

Een belangrijke beperking van mestonderzoek is dat parasieten alleen kunnen worden gevonden wanneer er op het moment van onderzoek een stadium aanwezig is dat:

  • via de mest wordt uitgescheiden;
  • in het onderzochte monster terechtkomt;
  • met de gekozen onderzoeksmethode aantoonbaar is.

Dat verklaart bijvoorbeeld waarom:

  • ingekapselde larven van kleine bloedworm niet zichtbaar zijn: ze leggen nog geen eitjes;
  • een jonge spoelworminfectie nog weken onzichtbaar kan blijven;
  • een lintworminfectie ondanks een negatieve mesttelling aanwezig kan zijn;
  • aarsworm met een gewone mesttelling gemakkelijk wordt gemist;
  • voor longworm en leverbot andere onderzoeksmethoden nodig zijn.

Een negatieve uitslag betekent daarom nooit automatisch: dit paard heeft geen parasieten.

Overzicht

ParasietStandaard McMasterHoe onderzoek je erop?
Grote en kleine bloedwormJaStrongyliden-eitelling; eitjes van grote en kleine bloedworm zijn niet betrouwbaar van elkaar te onderscheiden.
Ingekapselde kleine bloedwormNeeLarven leggen geen eitjes en zijn daardoor niet via een gewone mesttelling aantoonbaar.
SpoelwormJaEitelling; een vroege infectie kan nog niet aantoonbaar zijn.
VeulenwormJaEitjes kunnen in mest worden aangetoond; vooral relevant bij jonge veulens.
LintwormSoms, maar onvoldoende betrouwbaar om uit te sluitenMestonderzoek kan eitjes aantonen; EquiSal Lintworm test geeft meer zekerheid.
AarswormNiet betrouwbaarPlakband- of cellotapetest rond de anus.
LongwormNeeBaermann-methode voor larven.
LeverbotNeeSedimentatiemethode, zoals gemodificeerde Dorsman.
PaardenhorzelNeeGele eitjes op de vacht en later larven met het blote oog zichtbaar.

De onderzoeksvraag bepaalt de methode

De belangrijkste vraag is daarom niet alleen:

“Is het mestonderzoek positief of negatief?”

Maar:

“Waarop heb ik onderzocht, met welke methode en wat kan die methode wel en niet aantonen?”

Pas wanneer je dat weet, kun je een uitslag op de juiste manier interpreteren.

Dat is ook waarom verschillende vormen van mestonderzoek naast elkaar bestaan. Een McMaster-telling, Baermann-onderzoek, sedimentatieonderzoek en cellotapetest beantwoorden ieder een andere vraag.

Lees ook deze artikelen:

Wanneer is mestonderzoek betrouwbaar?

Wat betekent het als je geen wormeitjes vindt?

Bekijk instructies & handleidingen →