Mestonderzoek is een vorm van parasitologisch onderzoek waarbij de mest van een paard wordt onderzocht op de aanwezigheid van bepaalde stadia van parasieten, zoals wormeitjes of larven.
Het wordt ook wel wormonderzoek genoemd. Bij een wormeitelling wordt daarnaast bepaald hoeveel eitjes van bepaalde wormsoorten in de mest worden aangetroffen. De uitslag wordt dan meestal uitgedrukt in EPG: eitjes per gram mest.
Mestonderzoek is een belangrijk hulpmiddel binnen goed wormmanagement. Het geeft informatie over de parasieten die op het moment van onderzoek aantoonbaar zijn en, bij een kwantitatieve telling, over de hoeveelheid eitjes die het paard uitscheidt. Maar een mestonderzoek vertelt niet alles: een lage of negatieve uitslag betekent niet automatisch dat een paard geen wormen heeft.
Wat wordt er bij mestonderzoek onderzocht?
Bij mestonderzoek wordt een mestmonster zo verwerkt dat parasietstadia onder de microscoop zichtbaar kunnen worden gemaakt.
Welke parasieten je kunt aantonen, hangt af van de gebruikte onderzoeksmethode. Verschillende parasieten produceren namelijk verschillende soorten eitjes of larven en die zijn niet allemaal met dezelfde methode goed aantoonbaar.
Daarom bestaat er niet één onderzoeksmethode waarmee je alle inwendige parasieten van een paard betrouwbaar kunt onderzoeken.
Mestonderzoek met de McMaster-methode
Voor routinematig mestonderzoek bij paarden wordt veel gebruikgemaakt van de McMaster-methode.
Hierbij wordt een nauwkeurig afgewogen hoeveelheid mest gemengd met een flotatievloeistof. Door het hoge soortelijk gewicht van deze vloeistof gaan bepaalde wormeitjes drijven. Een deel van het mengsel wordt vervolgens in een McMaster-telkamer gebracht en onder de microscoop onderzocht.
Omdat een bekende hoeveelheid mest en een vast volume worden onderzocht, kan het aantal gevonden eitjes worden omgerekend naar het aantal eitjes per gram mest (EPG).
De McMaster-methode wordt vooral gebruikt voor het tellen van onder andere:
- strongyliden-eitjes, waaronder die van grote en kleine bloedwormen;
- spoelwormeitjes;
- veulenwormeitjes.
De eitjes van grote en kleine bloedwormen zijn bij een gewone McMaster-telling niet betrouwbaar van elkaar te onderscheiden. De uitslag wordt daarom doorgaans als strongyliden- of bloedwormeitelling weergegeven.
Sommige andere parasieteneitjes kunnen incidenteel eveneens in een flotatiepreparaat worden aangetroffen, maar dat betekent niet dat de McMaster-methode voor die parasieten een betrouwbare screeningsmethode is.
Lees ook het artikel: Welke parasieten kun je met mestonderzoek aantonen?
Niet iedere parasiet is met McMaster betrouwbaar aantoonbaar
Een belangrijk onderdeel van goed mestonderzoek is weten wat een onderzoeksmethode niet kan aantonen.
Zo worden lintwormeitjes onregelmatig uitgescheiden. Daardoor kan een paard een lintworminfectie hebben terwijl bij een gewone McMaster-telling geen lintwormeitjes worden gevonden.
Ook aarswormeitjes worden meestal niet met de mest uitgescheiden. De vrouwelijke aarsworm legt haar eitjes rondom de anus. Bij verdenking op aarsworm is daarom een plakband- of cellotapetest veel geschikter.
Voor andere parasieten zijn weer andere mestonderzoeksmethoden nodig.
Aanvullende onderzoeksmethoden
Longwormonderzoek
Voor onderzoek naar longworm wordt onder andere de Baermann-methode gebruikt. Daarbij wordt niet naar eitjes gezocht, maar naar larven die uit de mest kunnen worden geïsoleerd en vervolgens onder de microscoop worden beoordeeld.
Leverbotonderzoek
Leverboteitjes zijn relatief zwaar en zijn daarom niet geschikt voor een normale flotatiemethode zoals McMaster.
Voor leverbot wordt een sedimentatiemethode, zoals de gemodificeerde Dorsman-methode, gebruikt. Daarbij zakken de zwaardere leverboteitjes naar de bodem en wordt het sediment vervolgens microscopisch onderzocht.
Aarswormonderzoek
Bij verdenking op aarsworm kan met een cellotapetest materiaal rond de anus worden verzameld. Dit wordt onder de microscoop onderzocht op aarswormeitjes.
Wat vertelt een mestonderzoek?
Een goed uitgevoerd mestonderzoek kan belangrijke informatie geven over de uitscheiding van bepaalde parasieten.
Een wormeitelling kan bijvoorbeeld helpen om:
- vast te stellen of bepaalde wormeitjes in het onderzochte monster aanwezig zijn;
- te bepalen hoeveel eitjes per gram mest worden uitgescheiden;
- verschillen tussen paarden binnen een groep zichtbaar te maken;
- veranderingen in de uitscheiding in de tijd te volgen;
- de bijdrage van een paard aan de besmetting van de weide beter in te schatten;
- onder de juiste omstandigheden de werkzaamheid van een ontwormmiddel te controleren.
Daarmee is mestonderzoek een waardevol hulpmiddel om wormmanagement gerichter te maken.
Wat vertelt een mestonderzoek niet?
Een mestonderzoek is geen volledige inventarisatie van alle wormen die zich in een paard bevinden.
Een EPG-waarde geeft bijvoorbeeld aan hoeveel eitjes in het onderzochte mestmonster worden gevonden. Dat aantal staat niet rechtstreeks gelijk aan het aantal volwassen of onvolwassen wormen in het paard en zegt op zichzelf ook niet hoe ziek een paard eventueel van een infectie is.
Ook kunnen bepaalde parasieten of ontwikkelingsstadia niet of onvoldoende betrouwbaar met een standaard mestonderzoek worden aangetoond. Denk bijvoorbeeld aan:
- ingekapselde larven van kleine bloedwormen;
- lintworminfecties bij een negatieve standaard wormeitelling;
- aarsworm wanneer alleen de mest wordt onderzocht;
- parasieten die nog niet volwassen zijn en nog geen eitjes produceren.
Een negatieve uitslag betekent daarom beter:
in het onderzochte monster zijn met de gebruikte methode geen aantoonbare parasietstadia gevonden
dan:
dit paard heeft geen wormen.
Dat onderscheid is belangrijk bij het interpreteren van een uitslag.
Mestonderzoek als onderdeel van wormmanagement
Mestonderzoek staat niet op zichzelf. Een goede interpretatie hangt ook samen met bijvoorbeeld:
- de leeftijd van het paard;
- eerdere onderzoeksuitslagen;
- het seizoen;
- weidegang en groepssamenstelling;
- eerdere ontwormingen;
- de parasiet waarop wordt onderzocht;
- eventuele klachten of andere risicofactoren.
Door regelmatig en zorgvuldig te onderzoeken kun je patronen leren herkennen en beter onderbouwde beslissingen nemen binnen het wormmanagement.
Wanneer een paard ziekteverschijnselen heeft of wanneer er aanleiding is om een relevante parasitaire infectie te vermoeden die niet goed met het gebruikte mestonderzoek kan worden aangetoond, is overleg met een dierenarts belangrijk.
Zelf mestonderzoek doen
Mestonderzoek is goed zelf uit te voeren, maar een betrouwbare uitslag vraagt om een zorgvuldige en reproduceerbare werkwijze.
Onder andere het afwegen van het monster, mengen en zeven, de gebruikte flotatievloeistof, het vullen van de telkamer, de microscoopinstelling, het herkennen van parasieteneitjes en het correct tellen hebben invloed op de kwaliteit van het onderzoek.
Daarom besteden we bij De Mestonderzoekshop niet alleen aandacht aan de materialen, maar ook aan kennis, instructie en oefening.
