e veulenworm (Strongyloides westeri) is parasitologisch gezien een bijzondere worm. De levenscyclus wijkt op meerdere punten af van die van andere wormen bij paarden.
Zo vindt de eerste blootstelling van een veulen doorgaans plaats via de moedermelk, kan de parasiet zich ook buiten het paard voortplanten en speelt hij vrijwel uitsluitend bij heel jonge paarden.
Dat maakt veulenworm interessant. Maar voor het wormmanagement is uiteindelijk een andere vraag belangrijker:
Hoeveel problemen veroorzaakt veulenworm in de praktijk eigenlijk?
Bij de meeste veulens is het antwoord: weinig.
De eerste blootstelling vindt doorgaans plaats via de moedermelk
Een merrie kan larven van Strongyloides westeri in haar lichaam bij zich dragen zonder zelf een actieve darminfectie te hebben.
Rond de geboorte worden deze larven actief en kunnen ze via de melk aan het veulen worden doorgegeven.
De eerste blootstelling aan veulenworm vindt daarom doorgaans al kort na de geboorte via de moedermelk plaats.
Het jonge veulen kan vervolgens in relatief korte tijd volwassen vrouwelijke veulenwormen in de dunne darm krijgen. Deze produceren eitjes die met de mest worden uitgescheiden.
De merrie kan dus drager zijn zonder veulenwormeitjes uit te scheiden
Dat een volwassen merrie larven aan haar veulen kan doorgeven terwijl bij haarzelf geen veulenwormeitjes in de mest worden gevonden, is een bijzonder onderdeel van de levenscyclus.
De larven kunnen langere tijd in haar weefsels aanwezig blijven en rond het veulenen weer actief worden.
Daarmee verschilt veulenworm duidelijk van bijvoorbeeld bloedworm, waarbij een volwassen worm in de darm eerst eitjes moet produceren om voor nieuwe besmetting te zorgen.
Veulenworm speelt vooral tot ongeveer zes maanden
Jonge veulens zijn gevoelig voor Strongyloides westeri, maar ontwikkelen in de eerste levensmaanden snel weerstand tegen deze parasiet.
Als praktische vuistregel speelt veulenworm daarom vooral bij veulens tot ongeveer zes maanden oud.
Daarna wordt de parasiet nog maar zelden gevonden.
Zes maanden is geen harde biologische grens. Uitzonderingen blijven mogelijk. In onze eigen laboratoriumpraktijk hebben we bijvoorbeeld nog eens veulenwormeitjes aangetroffen bij een jong paard van ongeveer twaalf maanden oud.
Maar dergelijke gevallen zijn uitzonderlijk. Voor het gewone wormmanagement kun je veulenworm vooral zien als een parasiet van de eerste levensmaanden.
Veulenworm kan zich ook buiten het paard voortplanten
Een andere bijzondere eigenschap is dat veulenworm zich buiten het paard ook kan voortplanten.
Daardoor kan de infectiedruk in de omgeving, en vooral in een warme en vochtige stal, sterk toenemen.
Dat maakt stalhygiëne juist bij jonge veulens belangrijk.
Regelmatig mest en nat strooisel verwijderen helpt voorkomen dat de omgeving een steeds grotere besmettingsbron wordt.
Lees ook dit artikel: Stalhygiëne en worminfecties: wat kun je preventief doen?
Hoe kan een veulen verder besmet raken?
Naast overdracht via de moedermelk kunnen infectieuze larven ook vanuit de omgeving bij het veulen terechtkomen.
Ze kunnen:
- via de mond worden opgenomen;
- door de huid binnendringen.
Een warme, vochtige en met mest vervuilde omgeving kan daardoor een belangrijke rol spelen wanneer de infectiedruk sterk oploopt.
Vooral jonge veulens die veel liggen en intensief contact hebben met strooisel en de stalvloer worden relatief gemakkelijk aan deze larven blootgesteld.
Welke klachten kan veulenworm veroorzaken?
De meeste infecties veroorzaken geen ernstige problemen.
Bij zware infecties kan veulenworm irritatie van de dunne darm veroorzaken en kunnen klachten ontstaan zoals:
- diarree;
- verminderde groei;
- een minder goede algemene conditie.
Veulenworm werd vroeger vrij gemakkelijk als oorzaak van diarree bij jonge veulens aangewezen. Inmiddels weten we dat die relatie veel minder eenvoudig is.
Diarree bij jonge veulens heeft veel mogelijke oorzaken en ook veulens met veulenwormeitjes in de mest kunnen volledig gezond zijn.
Een positieve uitslag betekent daarom niet automatisch dat veulenworm de oorzaak van eventuele diarree is.
Kun je veulenworm aantonen met mestonderzoek?
Ja.
De vrouwelijke veulenwormen in de darm produceren kleine, dunwandige eitjes waarin al een ontwikkelende larve zichtbaar is.
Deze eitjes kunnen met microscopisch mestonderzoek worden aangetoond.
Omdat de levenscyclus bij het jonge veulen snel verloopt, kunnen al vrij kort na de eerste besmetting eitjes in de mest verschijnen.
Een negatieve uitslag heel kort na de geboorte sluit een infectie uiteraard niet uit: de larven moeten zich eerst ontwikkelen voordat eitjes worden geproduceerd.
Moet je veulenworm apart behandelen?
Meestal niet.
Dat is misschien wel de belangrijkste praktische boodschap.
Veulenworm heeft een interessante levenscyclus, maar vormt in de meeste moderne paardenhouderijen geen belangrijk zelfstandig wormprobleem.
Van oudsher zijn verschillende strategieën gebruikt om veulenworm specifiek aan te pakken. Zo kan een merrie rond het veulenen worden behandeld om overdracht via de melk te beperken, of kan een jong veulen vroeg gericht worden behandeld.
Maar wanneer veulenworm op een bedrijf geen aantoonbaar probleem vormt, is het meestal niet nodig om uitsluitend vanwege deze parasiet een extra ontwormmoment in te bouwen.
Focus vooral op goed wormmanagement voor het jonge paard
Voor het wormmanagement van jonge paarden zijn spoelworm en bloedworm veel belangrijkere parasieten om structureel rekening mee te houden.
In de praktijk worden jonge veulens bovendien vaak al vroeg behandeld binnen dat bredere wormmanagement. Wanneer daarbij een middel wordt gebruikt dat ook werkzaam is tegen veulenworm, wordt een aanwezige Strongyloides westeri-infectie doorgaans meteen meegenomen.
Daarom is het meestal zinvoller om te focussen op:
- goede stalhygiëne;
- passend mestonderzoek;
- goed management van spoelworm;
- goed management van bloedworm;
- alleen specifiek op veulenworm ingrijpen wanneer daar werkelijk aanleiding voor is.
Lees ook dit artikel: Spoelworm bij paarden: vooral een risico voor jonge paarden
Lees ook dit artikel: Bloedworm bij paarden: kleine en grote bloedworm
Wanneer vraagt veulenworm wél extra aandacht?
Er kan reden zijn om veulenworm afzonderlijk mee te nemen wanneer bijvoorbeeld:
- op een bedrijf herhaaldelijk hoge besmettingen worden gevonden;
- meerdere jonge veulens problemen ontwikkelen waarbij veulenworm mogelijk een rol speelt;
- stalomstandigheden een sterke vermeerdering in de omgeving mogelijk maken;
- eerdere ervaringen laten zien dat veulenworm op het bedrijf daadwerkelijk een probleem vormt.
Dan kan gericht onderzoek en eventueel een aangepaste aanpak voor merrie en veulen zinvol zijn.
Maar dat is iets anders dan ieder veulen standaard behandelen alsof veulenworm een groot risico vormt.
Veulenworm is vooral biologisch bijzonder
Strongyloides westeri heeft een levenscyclus die op meerdere punten bijzonder is:
- de merrie kan larven latent bij zich dragen;
- de eerste blootstelling van het veulen vindt doorgaans via de moedermelk plaats;
- de parasiet kan zich ook buiten het paard voortplanten;
- vooral veulens tot ongeveer zes maanden zijn gevoelig.
Dat maakt veulenworm parasitologisch interessant.
Maar in de praktijk veroorzaakt de parasiet meestal weinig problemen. Voor de meeste veulens zijn daarom goede stalhygiëne en een degelijk wormmanagement waarin vooral spoelworm en bloedworm centraal staan veel belangrijker dan een afzonderlijk bestrijdingsprogramma voor veulenworm.
Lees ook dit artikel: Welke parasieten kun je met mestonderzoek aantonen?
Lees ook dit artikel: Wanneer doe je mestonderzoek?
