De bloedworm is de meest voorkomende wormsoort bij paarden. Je hoort ook vaak de namen rode bloedworm of strongyliden. In de praktijk blijkt dat wanneer een paard een worminfectie heeft, dat dit in meer dan 90% van de gevallen om bloedworm gaat.
De naam bloedworm wordt gebruikt voor een grote groep strongyliden. In de volksmond wordt ook vaak gesproken over rode bloedworm.
Er zijn twee groepen:
- kleine bloedworm
- grote bloedworm
In Nederland gaat het tegenwoordig vrijwel altijd om kleine bloedworm. Grote bloedworm komt nog maar zeer zelden voor.
Kleine bloedworm
Kleine bloedworm wordt ook wel kleine rode bloedworm, kleine strongyliden of Cyathostominae genoemd.
Het gaat niet om één wormsoort, maar om tientallen verschillende soorten die bij paarden kunnen voorkomen.
Volwassen kleine bloedwormen zijn dunne wormpjes van ongeveer een halve tot enkele centimeters lang.
Ondanks de naam rode bloedworm zijn ze niet altijd rood. De kleur kan variëren van bleek of witachtig tot rood of donkerrood.
De volksnaam kan daardoor verwarrend zijn: een worm hoeft dus niet rood te zijn om een kleine bloedworm te zijn.
Hoe raakt een paard besmet?
Volwassen kleine bloedwormen leven in de dikke darm.
De vrouwelijke wormen produceren eitjes die met de mest naar buiten komen.
Op de weide ontwikkelen zich uit die eitjes larven. Wanneer deze larven het infectieuze L3-stadium hebben bereikt, kruipen ze vanuit de mest op het gras.
Het paard neemt deze L3-larven tijdens het grazen op.
Na opname ontwikkelen de larven zich verder in het paard. Uiteindelijk ontstaan weer volwassen wormen die opnieuw eitjes produceren en zo blijft de levenscyclus in stand.
Ingekapselde larven: geen ‘winterslaap’
In de volksmond wordt bij ingekapselde kleine bloedwormlarven vaak gesproken over een ‘winterslaap’.
Dat is een misleidende term.
Het inkapselen is namelijk een normaal onderdeel van de levenscyclus. Het paard neemt tijdens het grazen de infectieuze L3-larve op. Deze dringt de wand van de dikke darm binnen, kapselt zich daar in en ontwikkelt zich verder richting L4. Daarna verlaat de larve de darmwand en ontwikkelt zich verder tot een volwassen worm.
Een deel van de larven doorloopt deze fase relatief snel, terwijl andere larven hun ontwikkeling langere tijd kunnen vertragen.
Dat wordt gezien als een overlevingsstrategie van de parasiet. Volgens de gangbare wetenschappelijke inzichten spelen daarbij onder andere het seizoen en de omstandigheden buiten het paard, de afweer van het paard en de hoeveelheid volwassen bloedwormen die al in de darm aanwezig is een rol.
Zo kan het voor de parasiet gunstiger zijn om de ontwikkeling tijdelijk te vertragen wanneer de omstandigheden voor verdere overleving en verspreiding minder gunstig zijn. Veranderen de omstandigheden, dan kan de ontwikkeling weer worden voortgezet.
Inkapselen gebeurt dus niet alleen in de winter. Ook in de zomer kunnen ingekapselde larven in de darmwand aanwezig zijn. De term ‘winterslaap’ suggereert ten onrechte dat het om een typisch winterverschijnsel gaat.
Juist deze darmwandfase is belangrijk bij de interpretatie van mestonderzoek. Ingekapselde larven produceren geen eitjes en zijn met een gewoon mestonderzoek niet aantoonbaar.
Een lage uitscheiding van bloedwormeitjes zegt dus niets over de hoeveelheid larven die op dat moment in de darmwand aanwezig is.
Wanneer grote aantallen larven in korte tijd uit de darmwand komen, kan ernstige ontsteking van de darm ontstaan. Dit wordt larvale cyathostominose genoemd.
Dit wordt vooral bij jongere paarden gezien en kan ernstig verlopen.
Wat betekent EPG bij bloedworm?
Bij mestonderzoek worden bloedwormeitjes geteld en wordt de uitslag uitgedrukt in EPG: eitjes per gram mest.
De EPG zegt iets over de hoeveelheid eitjes die het paard op dat moment uitscheidt.
Dat is vooral belangrijk vanuit twee perspectieven:
- hoeveel het paard bijdraagt aan de besmetting van de weide;
- of er op basis van de ei-uitscheiding aanleiding is om behandeling te bespreken.
De EPG is echter geen telling van het aantal wormen in het paard.
Paarden verschillen bovendien sterk in hoeveel bloedwormeitjes ze uitscheiden. Sommige paarden blijven jarenlang lage uitscheiders, terwijl andere paarden veel meer eitjes produceren.
Lees ook dit artikel: Wat betekent een EPG-waarde bij mestonderzoek?
Kun je kleine en grote bloedworm onderscheiden bij mestonderzoek?
Nee.
De eitjes van kleine en grote bloedworm lijken onder de microscoop sterk op elkaar. Met een standaard McMaster-mestonderzoek kun je daarom niet betrouwbaar bepalen van welke strongylidensoort een gevonden eitje afkomstig is.
De uitslag wordt daarom weergegeven als bloedworm/strongyliden.
Wanneer er een specifieke reden is om onderscheid te maken tussen kleine en grote bloedworm, is aanvullend onderzoek nodig.
Daarbij kan bijvoorbeeld verder onderzoek worden gedaan naar de larven.
Grote bloedworm
De grote bloedwormen behoren tot het geslacht Strongylus.
Vooral Strongylus vulgaris is van belang vanwege de trektocht die de larven in het lichaam maken.
Na opname via het gras dringen de larven de darmwand binnen en migreren vervolgens via bloedvaten. Deze larvale trek kan beschadiging en ontsteking van bloedvaten veroorzaken en in ernstige gevallen leiden tot problemen met de bloedvoorziening van delen van de darm.
Daarom gold Strongylus vulgaris vroeger als een van de gevaarlijkste worminfecties bij paarden.
Grote bloedworm komt in Nederland nog maar weinig voor
Door jarenlang gebruik van ontwormmiddelen is grote bloedworm in Nederland sterk teruggedrongen.
Tegenwoordig bestaat het overgrote deel van de strongylideninfecties bij Nederlandse paarden uit kleine bloedworm.
Dat betekent niet dat grote bloedworm biologisch verdwenen is. Wanneer wormmanagement gedurende langere tijd onvoldoende is, kan Strongylus vulgaris opnieuw worden geïntroduceerd en zich binnen een paardenpopulatie verspreiden.
Maar bij Nederlandse paarden is het momenteel een uitzondering, niet de parasiet waar je bij iedere positieve bloedwormtelling automatisch vanuit moet gaan.
Waarom heet het eigenlijk bloedworm?
De naam kan de indruk wekken dat deze wormen allemaal bloed zuigen of altijd rood van kleur zijn.
Dat klopt niet.
De benaming wordt al lange tijd gebruikt voor strongyliden bij paarden, maar zegt weinig over hoe een individuele worm eruitziet.
Vooral bij kleine bloedworm kunnen volwassen wormen variëren van bleek of witachtig tot rood en donkerrood.
Zie je een klein witachtig wormpje in de mest, dan sluit de kleur kleine bloedworm dus zeker niet uit.
Wat kun je met mestonderzoek wel en niet zeggen?
Met een kwantitatief mestonderzoek kun je vaststellen hoeveel strongylideneitjes een paard op dat moment uitscheidt.
Je kunt daarmee:
- paarden met lage, matige en hoge ei-uitscheiding herkennen;
- veranderingen in de tijd volgen;
- gericht bepalen wanneer behandeling moet worden besproken;
- na behandeling controleren of een wormmiddel voldoende heeft gewerkt.
Maar je kunt met een standaard mestonderzoek niet:
- het totale aantal bloedwormen in het paard tellen;
- kleine en grote bloedworm betrouwbaar van elkaar onderscheiden;
- ingekapselde kleine bloedwormlarven aantonen.
Dat onderscheid is belangrijk bij de interpretatie van een uitslag.
Bloedworm en weidemanagement
Een groot deel van de levenscyclus van bloedworm vindt buiten het paard op de weide plaats.
Daarom heeft weidemanagement veel invloed op de infectiedruk.
Regelmatig mest verwijderen, overbegrazing voorkomen en verstandig gebruikmaken van weiderust kunnen de hoeveelheid infectieuze larven die paarden opnemen aanzienlijk beperken.
Lees ook dit artikel: Weidemanagement en worminfecties: wat kun je preventief doen?
Bloedworm hoort bij verantwoord wormmanagement
Het doel is niet om ieder paard volledig vrij van bloedworm te houden.
Dat is niet alleen onrealistisch, maar vanuit resistentieontwikkeling ook niet wenselijk.
Het doel is de infectiedruk beheersbaar te houden, paarden met een hoge ei-uitscheiding te herkennen en alleen te behandelen wanneer daar een goede reden voor is.
Daarvoor vormen regelmatig mestonderzoek, gericht behandelen en goed weidemanagement samen de basis.
Lees ook dit artikel: Waarom doe je mestonderzoek?
Lees ook dit artikel: Wanneer doe je mestonderzoek?
Lees ook dit artikel: Resistentie tegen wormmiddelen: hoe ontstaat het en wat kun je doen?
