Een belangrijk deel van de levenscyclus van verschillende wormsoorten speelt zich buiten het paard, op de weide af. Vooral bij bloedworm heeft wat er op de weide gebeurt veel invloed op de infectiedruk.
Met goed weidemanagement kun je die infectiedruk verlagen en daarmee de kans verkleinen dat paarden grote hoeveelheden infectieuze larven opnemen.
In dit artikel bespreken we de belangrijkste maatregelen:
- regelmatig mest verwijderen;
- overbegrazing en een te hoge bezetting voorkomen;
- strookbegrazing verstandig toepassen;
- verweiden en weiderust gebruiken;
- hooien;
- bloten of maaien;
- de weide slepen;
- andere grazers inzetten;
- mest composteren voordat je die weer op de weide brengt;
- rekening houden met temperatuur, vocht en droogte.
Niet al deze maatregelen zijn even effectief. Sommige hebben een duidelijk effect, terwijl andere alleen onder de juiste omstandigheden helpen en zelfs averechts kunnen werken.
Mest verwijderen: de belangrijkste maatregel
Regelmatig mest verwijderen is een van de meest effectieve manieren om de besmetting van de weide met bloedwormlarven te beperken.
Je verwijdert de eitjes en zich ontwikkelende larven voordat ze zich verder over het gras kunnen verspreiden.
Twee keer per week mest verwijderen is een goede praktische richtlijn.
Lukt volledig mestruimen niet, dan kan het verzamelen van mest op één voor paarden afgesloten plek een compromis zijn. Het doel blijft hetzelfde: voorkomen dat mest verspreid tussen het gras blijft liggen.
Voorkom te intensief begrazen
Paarden grazen van nature liever niet vlak rond hun eigen mestplekken. Daardoor ontstaan korte graasplekken en hogere, ruigere stukken waar veel mest ligt.
Dat gedrag helpt het paard om blootstelling aan parasieten te beperken.
Bij een hoge bezetting of wanneer een weide erg kort wordt afgegraasd, hebben paarden steeds minder keuze. Ze gaan dan dichter bij mestplekken en dichter bij de bodem grazen, waar de kans op opname van larven groter is.
Voldoende ruimte en voldoende gras zijn daarom ook onderdeel van goed wormmanagement.
Strookbegrazing
Strookbegrazing kan helpen om het grasaanbod te sturen, maar is vanuit wormmanagement niet automatisch gunstiger.
Wanneer paarden een kleine strook steeds erg kort afgrazen en de mest daar blijft liggen, kunnen ze juist dichter bij besmette plekken gaan eten.
Strookbegrazing kan prima worden toegepast, maar combineer het bij voorkeur met regelmatig mestruimen en voorkom dat paarden structureel tot vlak boven de bodem moeten grazen.
Verweiden en weiderust
Een periode zonder paarden kan helpen om de infectiedruk op een weide te verminderen.
Hoeveel effect dat heeft, hangt sterk af van de omstandigheden. Bij warm en droog weer sterven bloedwormlarven sneller af. Onder koele en vochtige omstandigheden kunnen ze veel langer overleven.
Daarom bestaat er geen eenvoudige regel als:
“Na een paar maanden is deze weide schoon.”
Ook een winter maakt een weide niet automatisch vrij van bloedwormlarven.
Weiderust kan de infectiedruk dus verlagen, maar geeft geen garantie dat een weide daarna parasietvrij is.
Hooien
Een paardenweide tijdelijk gebruiken voor hooiproductie kan eveneens helpen.
Het gras wordt gemaaid, droogt en de weide wordt langere tijd niet begraasd. Vooral in een warme en droge periode zijn dat ongunstige omstandigheden voor bloedwormlarven.
Hooien maakt een weide niet gegarandeerd vrij van parasieten, maar kan wel bijdragen aan het verlagen van de infectiedruk.
Bloten of maaien
Bloten of maaien kan helpen om de infectiedruk te verlagen, maar het weer bepaalt voor een belangrijk deel of het effect gunstig of juist ongunstig is.
Bij warm en droog weer wordt het gras korter en krijgen zonlicht, warmte en uitdroging meer grip op mest en larven op het gras. Dat maakt de omstandigheden minder gunstig voor hun overleving.
Bij koel en vochtig weer kan het effect juist averechts zijn. Wanneer mestflatten bij het bloten worden geraakt of verspreid, verspreid je ook parasietstadia over een groter oppervlak, terwijl het vochtige weer juist gunstig blijft voor hun overleving.
Bloten is dus niet zonder meer een wormbestrijdingsmaatregel:
- warm en droog → kan helpen;
- koel en vochtig → kan de besmetting juist verder verspreiden.
Het blijft bovendien een aanvullende maatregel en geen vervanging voor mestruimen.
De weide slepen
Voor slepen geldt hetzelfde principe, maar nog duidelijker.
Bij slepen trek je mestflatten uit elkaar en verspreid je de mest over een groter deel van de weide.
Bij heet en droog weer kan dat gunstig zijn. Door de mest uit elkaar te trekken krijgen zon, warmte en uitdroging meer kans om aanwezige eitjes en larven te beschadigen.
Bij koel of vochtig weer kan slepen juist averechts werken. Je verspreidt de mest en daarmee de parasietstadia over een groter deel van de weide, terwijl de omstandigheden goed blijven voor hun ontwikkeling en overleving.
Kort samengevat:
- heet en droog → slepen kan helpen;
- koel en vochtig → niet slepen, je kunt het probleem juist verspreiden.
Geef de weide na het slepen bovendien voldoende rust voordat er opnieuw paarden grazen.
Andere grazers kunnen helpen
Veel bloedwormsoorten van paarden kunnen zich niet verder ontwikkelen in runderen, schapen of geiten.
Wanneer deze dieren op een paardenweide grazen, nemen ze een deel van de voor paarden infectieuze larven op zonder dat de normale levenscyclus van die paardenparasieten wordt voortgezet.
Gemengde of afwisselende begrazing kan daardoor helpen om de infectiedruk te verlagen.
Het is geen oplossing voor iedere parasiet. Zo moet je bijvoorbeeld in gebieden waar leverbot speelt rekening houden met de risico’s van gemengde begrazing.
Mest uitrijden
Verse of onvoldoende gecomposteerde paardenmest opnieuw over een paardenweide verspreiden is vanuit wormmanagement niet verstandig.
Daarmee kun je wormeitjes en larven juist weer over het gras verspreiden.
Bij goed composteren ligt dat anders. Tijdens een goed verlopend composteringsproces kan de temperatuur in de mesthoop voldoende oplopen om veel parasietstadia te doden.
Wil je paardenmest later weer op paardenweiden gebruiken, composteer deze dan eerst goed.
Niet iedere parasiet gedraagt zich hetzelfde
De meeste maatregelen in dit artikel zijn vooral gericht op bloedworm, omdat deze parasiet een belangrijk deel van zijn levenscyclus op de weide doorbrengt.
Andere parasieten gedragen zich anders.
Spoelwormeitjes kunnen bijvoorbeeld zeer lang in de omgeving overleven. Bij lintworm speelt een tussenheer, de mosmijt, een rol. Leverbot heeft weer een geheel andere levenscyclus.
Goed weidemanagement verlaagt dus vooral de infectiedruk, maar maakt een weide niet automatisch vrij van alle parasieten.
Wat levert het meeste op?
Als je niet alles kunt doen, leg dan de prioriteit bij:
- regelmatig mest verwijderen;
- overbegrazing en een te hoge bezetting voorkomen;
- weiderust en rotatie gebruiken waar dat praktisch mogelijk is;
- eventueel andere grazers inzetten;
- hooien, bloten en slepen gericht inzetten en daarbij goed naar het weer kijken.
Vooral bij bloten en slepen geldt: warm en droog weer kan in je voordeel werken, terwijl koel en vochtig weer ervoor kan zorgen dat je de besmetting juist verder over de weide verspreidt.
Goed weidemanagement voorkomt niet iedere worminfectie. Het kan de infectiedruk wel flink verlagen en daarmee helpen om het aantal noodzakelijke behandelingen te beperken.
Samen met regelmatig mestonderzoek en gericht behandelen waar dat nodig is, vormt het daarom een belangrijk onderdeel van verantwoord wormmanagement.
Lees ook dit artikel: Bloedworm bij paarden: kleine en grote bloedworm
Lees ook dit artikel: Waarom doe je mestonderzoek?
Lees ook dit artikel: Wanneer doe je mestonderzoek?
