Wat betekent het als er geen wormeitjes zijn gevonden bij mestonderzoek?

Je onderzoekt een mestmonster en vindt geen wormeitjes. Dat klinkt misschien als de mooiste uitslag die je kunt krijgen.

Maar wat betekent zo’n uitslag eigenlijk?

De juiste conclusie is:

Met de gebruikte onderzoeksmethode zijn in het onderzochte mestmonster geen wormeitjes aangetroffen.

Dat is waardevolle informatie. Maar het is niet hetzelfde als zeggen dat je paard geen wormen heeft.

Geen eitjes gevonden: wat betekent dat?

Wanneer je bij een wormeitelling geen eitjes aantreft, betekent dat niet dat de uitslag 0 EPG is.

Iedere kwantitatieve telmethode heeft een detectiegrens. Bij de McMaster-methode hangt die af van de gebruikte variant.

Wanneer ieder geteld eitje bijvoorbeeld overeenkomt met 25 EPG en je geen eitjes vindt, is de correcte uitslag:

<25 EPG

Bij een variant waarbij ieder geteld eitje overeenkomt met 50 EPG wordt dat:

<50 EPG

Je hebt in beide gevallen daadwerkelijk nul eitjes geteld, maar je kunt niet aantonen dat er nul eitjes per gram mest aanwezig zijn. Er kunnen aantallen worden uitgescheiden die onder de detectiegrens van de gebruikte methode vallen.

Een uitslag van bijvoorbeeld <25 EPG betekent dus:

Met deze onderzoeksmethode zijn geen eitjes aangetroffen; als er wel eitjes worden uitgescheiden, ligt de hoeveelheid onder de detectiegrens van deze telling.

Dat onderscheid is belangrijk voor een correcte interpretatie.

Het kan betekenen dat je paard heel weinig eitjes uitscheidt

Geen eitjes aantreffen hoeft helemaal niet verdacht of onbetrouwbaar te zijn.

Vooral bij volwassen paarden zien we grote individuele verschillen in strongyliden-ei-uitscheiding. Sommige paarden laten bij herhaald onderzoek consequent zeer lage waarden zien, waarbij regelmatig geen enkel strongyliden-eitje wordt aangetroffen.

Wanneer een volwassen paard bij meerdere betrouwbare onderzoeken onder vergelijkbare omstandigheden steeds onder de detectiegrens blijft of slechts weinig strongyliden-eitjes uitscheidt, kan dat onderdeel zijn van het herkenbare patroon van dat paard.

Juist daarom is het waardevol om uitslagen te bewaren en niet alleen naar één losse telling te kijken.

Lees ook dit artikel: Is jouw paard gevoelig voor worminfecties?

Een parasiet kan aanwezig zijn zonder eitjes uit te scheiden

Een belangrijke reden waarom geen eitjes gevonden niet hetzelfde is als geen wormen, is dat parasieten niet gedurende hun hele levenscyclus eitjes produceren.

Na besmetting moeten larven zich eerst ontwikkelen voordat volwassen wormen ontstaan die eitjes kunnen leggen.

Een duidelijk voorbeeld is spoelworm. Bij een jonge infectie zijn er al larven in het lichaam aanwezig terwijl er nog geen spoelwormeitjes in de mest te vinden zijn. Het kan tot ongeveer 12 weken duren voordat de infectie via eitjes in de mest aantoonbaar wordt.

Een uitslag waarbij bij een jong paard geen spoelwormeitjes worden gevonden, sluit een recente spoelworminfectie daarom niet uit.

Ingekapselde kleine bloedworm zie je niet in een wormeitelling

Ook kleine bloedworm laat goed zien waarom de interpretatie belangrijk is.

Larven van kleine bloedworm kunnen zich in de darmwand inkapselen. In dat stadium zijn ze nog niet volwassen en leggen ze geen eitjes.

Daardoor zijn deze larven niet met een gewone wormeitelling aantoonbaar.

Je kunt dus geen strongyliden-eitjes aantreffen terwijl er wel ingekapselde larven van kleine bloedworm in de darmwand aanwezig zijn.

Het mestonderzoek heeft die larven dan niet gemist door een fout in de uitvoering. Ze zijn simpelweg niet aantoonbaar met een methode die wormeitjes in de mest telt.

Sommige parasieten worden met een standaard mestonderzoek gemakkelijk gemist

Niet iedere parasiet laat zich even betrouwbaar met een gewone McMaster-telling aantonen.

Bij lintworm worden de eitjes onregelmatig en niet gelijkmatig uitgescheiden. Daardoor kan een besmet paard een mestmonster produceren waarin geen lintwormeitjes worden aangetroffen.

Geen lintwormeitjes vinden bij een standaard mestonderzoek sluit een lintworminfectie daarom niet uit. Wanneer je meer zekerheid wilt, kan bijvoorbeeld de EquiSal Lintworm test worden gebruikt.

Bij aarsworm speelt iets anders: de eitjes worden voornamelijk rondom de anus afgezet en komen daardoor niet betrouwbaar in een gewoon mestmonster terecht. Bij verdenking op aarsworm gebruik je daarom een andere onderzoeksmethode.

Ook voor onder andere longworm en leverbot zijn andere onderzoeksmethoden nodig.

Lees ook: Welke parasieten kun je met mestonderzoek aantonen?

Kijk naar wat je precies hebt onderzocht

Een uitslag waarbij geen eitjes worden gevonden krijgt pas betekenis wanneer je weet waarop en met welke methode is onderzocht.

Een McMaster-telling waarbij geen strongyliden- of spoelwormeitjes worden gevonden kan bijvoorbeeld heel bruikbare informatie geven over de ei-uitscheiding van die parasieten op dat moment.

Maar dezelfde uitslag kun je niet gebruiken om te zeggen:

  • dat er geen ingekapselde kleine bloedworm aanwezig is;
  • dat lintworm is uitgesloten;
  • dat er geen aarsworm aanwezig is;
  • dat longworm of leverbot is uitgesloten;
  • of dat het paard helemaal geen inwendige parasieten heeft.

De vraag:

“Wat heb ik niet gevonden?”

moet daarom altijd worden gevolgd door:

“Wat had ik met deze methode überhaupt kunnen vinden?”

Eén keer niets vinden en structureel lage uitslagen zijn niet hetzelfde

Een enkele telling waarbij geen eitjes worden aangetroffen is een momentopname.

Wanneer een volwassen paard echter bij herhaald betrouwbaar onderzoek over langere tijd consequent onder de detectiegrens blijft of slechts weinig strongyliden-eitjes uitscheidt, ontstaat een patroon.

Dat patroon heeft praktische betekenis. Het kan bijvoorbeeld laten zien dat het paard structureel een lage strongyliden-ei-uitscheiding heeft en onder de betreffende omstandigheden relatief weinig bijdraagt aan de besmetting van de weide met deze eitjes.

Dat is veel meer informatie dan alleen:

“Bij deze telling heb ik geen eitjes gevonden.”

Bij de interpretatie van mestonderzoek is de historie daarom vaak minstens zo interessant als de laatste uitslag.

Geen eitjes vinden is geen automatische reden om tóch te ontwormen

De constatering dat een mestonderzoek niet alle parasieten en ontwikkelingsstadia kan uitsluiten, betekent niet dat je iedere keer wanneer je geen eitjes vindt voor de zekerheid maar moet ontwormen.

Dat zou het doel van informatiegestuurd wormmanagement juist voorbijschieten.

De betekenis van de uitslag hangt onder andere af van:

  • de leeftijd van het paard;
  • eerdere onderzoeksuitslagen;
  • de parasiet waarop je wilt controleren;
  • het seizoen;
  • eerdere behandelingen;
  • leef- en weideomstandigheden;
  • andere relevante risicofactoren.

In sommige situaties geeft het feit dat geen eitjes worden gevonden voldoende informatie om op dat moment niet te behandelen. In andere situaties kan aanvullend onderzoek, een andere onderzoeksmethode of een andere aanpak nodig zijn.

En als je toch wormen in de mest ziet?

Het kan gebeuren dat je bij mestonderzoek geen wormeitjes hebt gevonden en later toch een worm in de mest aantreft.

Dat hoeft niet te betekenen dat het eerdere onderzoek verkeerd is uitgevoerd.

Een volwassen worm in de mest en wormeitjes in een mestonderzoek vertellen namelijk niet precies hetzelfde. Bovendien zijn niet alle wormsoorten en levensstadia met een standaard telling aantoonbaar.

Dat onderwerp verdient daarom een eigen uitleg.

Lees ook: Geen wormeitjes gevonden, maar toch wormen in de mest: hoe kan dat?

Wanneer is geen eitjes vinden wél geruststellend?

Een uitslag waarbij geen eitjes worden aangetroffen is vooral waardevol wanneer je hem goed in context kunt plaatsen.

Bijvoorbeeld wanneer:

  • het onderzoek betrouwbaar is uitgevoerd;
  • de gebruikte methode past bij de parasiet waarop je wilt onderzoeken;
  • je de eerdere uitslagen van het paard kent;
  • leeftijd en voorgeschiedenis worden meegenomen;
  • er geen specifieke aanleiding is om een parasiet te vermoeden die met de gebruikte methode niet goed aantoonbaar is.

Dan kan een uitslag onder de detectiegrens precies de informatie geven waarvoor je het onderzoek hebt uitgevoerd.

Maar het blijft belangrijk om er niet méér uit te concluderen dan de methode daadwerkelijk kan aantonen.

Geen eitjes gevonden is een uitslag, geen vrijwaring

Geen wormeitjes aantreffen is dus niet waardeloos en evenmin per definitie onzeker.

Het vertelt je iets concreets:

Met de gebruikte methode zijn in het onderzochte monster geen eitjes aangetroffen. De werkelijke ei-uitscheiding ligt daarmee onder de detectiegrens van die telling.

De kunst zit vervolgens in de interpretatie.

Wie weet welke parasieten met de gebruikte methode aantoonbaar zijn, rekening houdt met levenscycli, de detectiegrens begrijpt en eerdere uitslagen bewaart, kan ook een uitslag waarbij geen eitjes worden gevonden heel zinvol gebruiken binnen het wormmanagement.

Lees ook deze artikelen:

Welke parasieten kun je met mestonderzoek aantonen?

Wanneer is mestonderzoek betrouwbaar?

Wat betekent een EPG-waarde?