Paarden kunnen ongemerkt zand binnenkrijgen. Bijvoorbeeld wanneer ze gras of voer van een zandige bodem opnemen, op een schrale weide heel kort grazen of gemorst hooi uit een paddock eten.
Een deel van dat zand gaat gewoon weer met de mest naar buiten. Maar zand kan zich ook in de darmen ophopen en uiteindelijk problemen veroorzaken.
Juist daarom is het zinvol om bij mestonderzoek ook op zand te letten. Vind je zand in de mest, dan is dat een belangrijk signaal: je paard krijgt zand binnen.
Wat je aan die hoeveelheid zand níét kunt zien, is hoeveel zand er eventueel nog in de darmen aanwezig is.
Zand gevonden? Zoek eerst uit waar het vandaan komt
Als je zand in de mest aantreft, is de eerste stap niet een zandkuur maar het achterhalen van de oorzaak.
Kijk bijvoorbeeld naar:
- hooi of ander voer dat rechtstreeks vanaf een zandige bodem wordt gegeten;
- gemorst voer dat uit het zand wordt opgenomen;
- een schrale of zeer kort afgegraasde weide;
- een paddock of track waar weinig ander ruwvoer beschikbaar is;
- een paard dat bewust aarde of zand eet.
Probeer verdere opname vervolgens zoveel mogelijk te voorkomen. Voer bijvoorbeeld vanaf een verharde ondergrond, rubbermat of geschikte voerbak en zorg dat het paard niet voortdurend kleine restjes ruwvoer uit het zand hoeft te zoeken.
Dat is belangrijk, want ondersteunen van de zandafvoer heeft weinig zin wanneer er tegelijkertijd iedere dag opnieuw zand binnenkomt.
Wat zegt zand in de mest?
Eigenlijk iets heel concreets:
er is zand door het maagdarmkanaal van je paard gegaan en een deel daarvan wordt uitgescheiden.
Dat is nuttige informatie. Maar de volgende stap — uitrekenen hoeveel zand er dan nog in de darmen moet zitten — kunnen we niet betrouwbaar maken.
De hoeveelheid zand die met de mest naar buiten komt, kan namelijk behoorlijk variëren. Een paard kan op het ene moment relatief veel zand uitscheiden en op een ander moment weinig. Bovendien weten we niet welk deel van het opgenomen zand probleemloos passeert en welk deel eventueel achterblijft.
Daarom kun je uit een mestmonster niet betrouwbaar concluderen:
- hoeveel zand zich in de darmen bevindt;
- of er sprake is van een kleine of grote zandophoping;
- hoe groot het risico op zandkoliek is;
- of vanaf een bepaalde hoeveelheid behandeling noodzakelijk is.
Dat maakt controleren op zand niet zinloos. Het betekent alleen dat je de uitslag moet gebruiken voor de vraag die de methode wél kan beantwoorden: krijgt mijn paard zand binnen?
Een percentage zand klinkt nauwkeuriger dan het is
Er worden ook zandtesten aangeboden waarbij de hoeveelheid zand in mest heel nauwkeurig wordt uitgedrukt, bijvoorbeeld als percentage of andere meetwaarde. Soms wordt zo’n uitkomst vervolgens gebruikt om een uitspraak te doen over de hoeveelheid zand in de darmen of over de noodzaak om te behandelen.
Daar zit een belangrijk probleem.
Het is technisch best mogelijk om nauwkeurig te meten hoeveel zand er in een bepaald mestmonster zit. Maar daarmee weet je nog niet hoeveel zand zich in het paard bevindt.
Voor zover wetenschappelijk bekend bestaan er geen betrouwbare grenswaarden waarmee bijvoorbeeld 0,5% zand in de mest kan worden vertaald naar een lichte, matige of ernstige zandophoping in de darm. Ook kan zo’n percentage niet betrouwbaar bepalen wanneer behandeling noodzakelijk is.
Een exact getal kan daardoor meer zekerheid suggereren dan de methode werkelijk biedt.
Hetzelfde geldt overigens voor eenvoudige vuistregels zoals ‘meer dan een theelepel zand’. Een percentage klinkt wetenschappelijker dan een theelepel, maar voor de belangrijkste vraag van de paardenhouder — hoeveel zand zit er in mijn paard en moet ik behandelen? — ontbreekt bij beide dezelfde vertaalslag.
Het getal beschrijft uiteindelijk vooral wat er in het onderzochte mestmonster is gevonden.
Wanneer is een zandkuur zinvol?
Dat we niet kunnen meten hoeveel zand er in de darmen achterblijft, betekent niet dat je niets kunt doen wanneer je zand aantreft.
Als bij controle duidelijk of herhaald zand in de mest wordt gevonden, weet je dat het paard zand opneemt. Naast het wegnemen van de oorzaak kan het dan verstandig zijn om de afvoer van zand tijdelijk te ondersteunen.
Daarvoor worden vooral producten met psyllium, ook wel vlozaad genoemd, gebruikt.
Psyllium neemt veel vocht op en vormt in de darm een gelachtige massa. Het wordt veel toegepast bij paarden die zand opnemen. Onderzoek naar de daadwerkelijke afvoer van zand laat wisselende resultaten zien. Daarom zouden we niet willen stellen dat een gewone psylliumkuur gegarandeerd een eventuele zandophoping verwijdert of zandkoliek voorkomt.
Dat is iets anders dan zeggen dat psyllium geen bruikbare rol kan hebben.
Bij een verder gezond paard waarbij zand wordt aangetroffen, kan een daarvoor bedoeld psylliumproduct een laagdrempelige manier zijn om de natuurlijke afvoer te ondersteunen. Gebruik zo’n product wel volgens de dosering en gebruiksduur van de fabrikant.
Een grote of al aantoonbare zandophoping is een andere situatie. De behandeling daarvan hoort bij de dierenarts en kan niet gelijk worden gesteld aan het thuis geven van een gebruikelijke zandkuur.
Blijf daarna controleren
Ook na het aanpassen van het management en eventueel geven van een zandkuur is opnieuw controleren zinvol.
Omdat de hoeveelheid zand die wordt uitgescheiden van dag tot dag kan verschillen, geeft één enkel mestmonster maar beperkte informatie. Door op verschillende momenten en steeds op ongeveer dezelfde manier te controleren, krijg je een beter beeld van wat er gebeurt.
Je kunt bijvoorbeeld volgen of:
- er bij herhaalde controles nog steeds zand zichtbaar is;
- de hoeveelheid zichtbaar zand afneemt;
- na aanpassing van de voerplek geen of nauwelijks zand meer wordt gevonden;
- het probleem later opnieuw terugkomt.
Daarbij blijft dezelfde beperking gelden.
Als je na verloop van tijd geen zand meer vindt, is dat gunstig: bij die controles wordt geen zand meer uitgescheiden. Maar je kunt daaruit niet met zekerheid concluderen dat er helemaal geen zand meer in de darmen aanwezig is.
Monitoring helpt dus vooral om te beoordelen of de zandopname en -uitscheiding lijken af te nemen, niet om de darm ‘zandvrij’ te verklaren.
En als je paard klachten heeft?
Dit artikel gaat vooral over het vroeg signaleren van zand bij een paard dat verder geen duidelijke gezondheidsproblemen heeft.
Heeft je paard koliekverschijnselen, aanhoudende diarree of andere maag-darmklachten en vermoed je dat zand een rol kan spelen? Dan is alleen mest op zand controleren niet voldoende. Een dierenarts kan beoordelen of verder onderzoek nodig is. Met beeldvorming kan veel beter worden onderzocht of er daadwerkelijk een relevante hoeveelheid zand in de darmen aanwezig is.
Wat heb je dan aan een zandtest?
Meer dan je misschien zou denken — zolang je maar de juiste vraag stelt.
Een zandtest kan je niet vertellen hoeveel zand er in de darmen van je paard zit. Ook bestaat er geen betrouwbare hoeveelheid zand in de mest waarbij je kunt zeggen: vanaf hier is sprake van een gevaarlijke zandophoping.
Maar een zandtest kan je wel vroeg waarschuwen dat je paard zand binnenkrijgt.
En daar kun je iets mee:
zand signaleren → oorzaak opsporen en wegnemen → zo nodig de afvoer ondersteunen → blijven controleren.
Dat is uiteindelijk veel waardevoller dan een schijnbaar exact getal waaraan meer betekenis wordt gegeven dan wetenschappelijk kan worden onderbouwd.
