De leverbot (Fasciola hepatica) is geen natuurlijke, gebruikelijke parasiet van het paard.
Dat betekent niet dat paarden nooit met leverbot geïnfecteerd kunnen raken. Dat kan wel degelijk. Maar in tegenstelling tot bijvoorbeeld bloedworm hoort leverbot niet bij de normale parasieten die hun levenscyclus gemakkelijk in het paard voltooien.
Voor een relevante leverbotinfectie bij een paard moeten daarom meestal meerdere omstandigheden tegelijk gunstig zijn.
Daarbij spelen vooral drie factoren een rol:
- leverbot moet van buitenaf worden geïntroduceerd;
- er moet een geschikte leefomgeving zijn voor de leverbotslak;
- de leverbot moet erin slagen zich in het paard verder te ontwikkelen.
1. Leverbot moet van buitenaf worden geïntroduceerd
Paarden zijn geen natuurlijke gastheer van leverbot. Zij zullen daarom normaal gesproken ook niet grote hoeveelheden leverboteitjes uitscheiden waarmee ze zelf een besmetting op de weide in stand houden.
De parasiet moet meestal van buitenaf worden aangevoerd.
Vooral:
- schapen;
- runderen;
- geiten;
zijn natuurlijke gastheren waarin leverbot gemakkelijk volwassen wordt en eitjes produceert. Ook wilde herkauwers kunnen een rol spelen.
Die eitjes komen met de mest op het land terecht.
Heeft een paardenweide geen geschiedenis met dergelijke dieren en is er ook vanuit aangrenzende percelen of waterstromen geen duidelijke besmettingsbron, dan is de kans op een leverbotprobleem veel kleiner.
2. De leverbotslak moet er kunnen leven
Alleen leverboteitjes op een weiland zijn nog niet voldoende.
Leverbot heeft voor zijn ontwikkeling buiten het dier een tussengastheer nodig: de leverbotslak. In Nederland gaat het daarbij vooral om een kleine slak die voorkomt op vochtige en modderige plaatsen.
Geschikte plekken zijn bijvoorbeeld:
- randen van sloten;
- greppels;
- poelen;
- kwelplekken;
- drassige laagtes;
- slecht ontwaterde delen van een perceel.
Het gaat vooral om plekken die langdurig vochtig blijven.
In de slak doorloopt de leverbot een belangrijk deel van zijn ontwikkeling. Uiteindelijk verlaten nieuwe stadia de slak en komen infectieuze cysten op planten en ander materiaal in de omgeving terecht.
Een paard kan deze tijdens het grazen opnemen.
Een nat perceel betekent dus niet automatisch dat er leverbot aanwezig is. Er moeten zowel leverbot als geschikte slakken aanwezig zijn.
3. De leverbot moet zich ook in het paard kunnen ontwikkelen
Daarmee komen we bij een belangrijk verschil tussen paarden en bijvoorbeeld schapen.
Het paard is geen natuurlijke gastheer voor leverbot en lijkt van nature behoorlijk weerstand te bieden tegen een infectie.
Na opname van infectieuze leverbotstadia lukt het de parasiet daarom lang niet altijd om zich bij een paard volledig te ontwikkelen.
Onder natuurlijke omstandigheden komen echte leverbotinfecties bij paarden echter wel voor. De jonge leverbotten kunnen vanuit de darm richting de lever trekken, zich daar verder ontwikkelen en uiteindelijk in de galgangen terechtkomen.
In sommige paarden kunnen ze daar volwassen worden en zelfs eitjes produceren.
Waarom dat bij het ene paard wel lukt en bij het andere niet, is nog niet volledig opgehelderd. Waarschijnlijk spelen individuele weerstand en de algemene gezondheid van het paard daarbij een belangrijke rol.
Een gezond paard lijkt een infectie doorgaans beter te kunnen tegenhouden. Bij paarden met een verminderde weerstand of andere gezondheidsproblemen kan de leverbot mogelijk meer kans krijgen om zijn ontwikkeling voort te zetten.
Daarom moet je bij leverbot niet alleen kijken naar het weiland, maar ook naar het paard zelf.
Hoe verloopt de levenscyclus van leverbot?
De levenscyclus is ingewikkelder dan die van veel gewone paardenwormen.
In grote lijnen verloopt deze zo:
Een besmet schaap, rund of ander geschikt dier scheidt leverboteitjes uit met de mest.
Onder geschikte omstandigheden ontwikkelen deze zich verder. Een larve verlaat het eitje en moet vervolgens een geschikte leverbotslak vinden.
In die slak vindt verdere vermenigvuldiging en ontwikkeling plaats.
Daarna verlaten nieuwe larvale stadia de slak. Uiteindelijk vormen zich infectieuze cysten die aan planten en ander materiaal in vochtige gebieden kunnen vastzitten.
Wanneer een paard zo’n infectieus stadium opneemt, komt de jonge leverbot in het lichaam vrij.
Deze trekt door de darmwand en migreert richting de lever. Daar beweegt hij door het leverweefsel voordat hij uiteindelijk de galgangen bereikt.
Alleen wanneer de parasiet deze hele ontwikkeling weet te voltooien, ontstaat een volwassen leverbot die eitjes kan produceren.
Welke klachten kan leverbot bij paarden veroorzaken?
Veel leverbotinfecties bij paarden verlopen zonder heel specifieke klachten.
Wanneer er wel problemen ontstaan, kunnen bijvoorbeeld worden gezien:
- verminderde conditie;
- gewichtsverlies;
- verminderde eetlust;
- slechter presteren;
- bloedarmoede;
- afwijkende leverwaarden;
- in ernstigere gevallen duidelijke leverschade.
Deze verschijnselen zijn bepaald niet uniek voor leverbot.
Je kunt op basis van dergelijke klachten dus niet zeggen dat een paard leverbot heeft.
De omstandigheden waarin het paard wordt gehouden zijn daarom minstens zo belangrijk voor de verdenking.
Een paard met onverklaarde leverproblemen op een droog perceel waar nooit schapen of runderen hebben gelopen heeft een heel ander risicoprofiel dan een paard dat graast rond natte greppels op land dat ook door schapen wordt gebruikt.
Kun je leverbot aantonen met gewoon mestonderzoek?
Een standaard McMaster-mestonderzoek is niet geschikt voor gericht onderzoek naar leverbot.
Leverboteitjes zijn relatief groot en zwaar en gedragen zich anders dan de eitjes waarvoor een gewone flotatiemethode wordt gebruikt.
Voor leverbot wordt daarom een sedimentatiemethode gebruikt, bijvoorbeeld de gemodificeerde Dorsman-methode.
Daarbij wordt juist gebruikgemaakt van het feit dat de zware leverboteitjes naar beneden zakken.
Wat betekent een negatieve uitslag?
Ook een negatief sedimentatieonderzoek sluit een leverbotinfectie niet volledig uit.
Daar zijn verschillende redenen voor.
Jonge leverbotten produceren nog geen eitjes. Een paard kan dus al geïnfecteerd zijn terwijl er nog niets in de mest is aan te tonen.
Daarnaast lijken paarden, omdat zij geen natuurlijke gastheer zijn, vaak maar weinig volwassen leverbotten te ontwikkelen. Wanneer slechts weinig eitjes worden geproduceerd, wordt de kans dat ze in een klein mestmonster terechtkomen eveneens kleiner.
Bij een sterke verdenking kan daarom aanvullend onderzoek door de dierenarts nodig zijn. Daarbij kunnen bijvoorbeeld de voorgeschiedenis, klinische verschijnselen, bloedonderzoek en eventueel aanvullend specifiek onderzoek worden meegenomen.
Moet je paarden regelmatig op leverbot onderzoeken?
Nee, meestal niet.
Leverbotonderzoek hoort niet bij het standaard periodieke mestonderzoek dat je bij paarden bijvoorbeeld voor bloedworm uitvoert.
Het heeft vooral zin wanneer er een concrete reden is om leverbot te verdenken.
Kijk daarbij naar de drie belangrijkste voorwaarden:
Is er een mogelijke besmettingsbron?
Hebben er bijvoorbeeld schapen, runderen of geiten op het land gelopen, of kunnen zij vanuit aangrenzende percelen bijdragen aan besmetting?
Zijn er geschikte natte plaatsen?
Zijn er sloten, greppels, poelen, kwelplekken of permanent drassige delen waar leverbotslakken kunnen leven?
Is er aanleiding om juist bij dit paard verder te kijken?
Zijn er onverklaarde gezondheidsproblemen, afwijkende leverwaarden, verminderde conditie of andere redenen waardoor een leverbotinfectie aannemelijker wordt?
Wanneer die factoren bij elkaar komen, wordt gericht onderzoek veel zinvoller.
Wat doe je wanneer leverbot wordt aangetoond?
Leverbot bij een paard is geen gewone worminfectie waarvoor je simpelweg het standaard ontwormschema volgt.
Wanneer leverbot wordt aangetoond of sterk wordt vermoed, is het verstandig dit met de dierenarts te bespreken.
Daarbij is het bovendien zinvol om niet alleen naar het individuele paard te kijken, maar ook naar de bron van de infectie.
Als leverbot via schapen, runderen of andere dieren op een geschikt nat perceel in stand wordt gehouden, lost alleen behandeling van het paard het onderliggende probleem namelijk niet op.
Leverbot draait vooral om het risicoprofiel
Leverbot is bij paarden relatief ongebruikelijk.
Daarom heeft het weinig zin om ieder paard routinematig op leverbot te onderzoeken. Veel belangrijker is begrijpen wanneer de omstandigheden überhaupt geschikt zijn voor een infectie.
Daarvoor moeten in de praktijk verschillende factoren samenkomen:
- leverbot moet door een geschikte natuurlijke gastheer worden aangevoerd;
- er moeten langdurig vochtige plekken zijn waar de leverbotslak kan leven;
- én de parasiet moet erin slagen zich in het paard verder te ontwikkelen.
Juist die combinatie bepaalt of leverbot bij een paard een reëel aandachtspunt is.
Lees ook dit artikel: Welke parasieten kun je met mestonderzoek aantonen?
Lees ook dit artikel: Wat betekent het als je geen wormeitjes vindt?
