Paarden kunnen met verschillende inwendige parasieten besmet raken. Sommige komen bij vrijwel ieder paardenbestand voor, andere zijn sterk afhankelijk van leeftijd, huisvesting of bijzondere omstandigheden.
Ze zijn bovendien niet allemaal even belangrijk.
Voor goed wormmanagement is het daarom nuttiger om te weten welke parasieten werkelijk relevant zijn voor jouw paard dan om te proberen tegen iedere mogelijke parasiet tegelijk te behandelen.
Kleine bloedworm
Kleine bloedworm is veruit de meest voorkomende worminfectie bij paarden.
Paarden raken besmet door tijdens het grazen infectieuze larven op te nemen. Volwassen bloedwormen leven in de dikke darm en produceren eitjes die met de mest worden uitgescheiden.
Een bijzonder onderdeel van de levenscyclus is dat larven zich in de darmwand inkapselen. Dit gebeurt niet alleen in de winter, maar hoort bij de normale ontwikkeling van kleine bloedworm.
Met mestonderzoek kan de uitscheiding van bloedwormeitjes worden bepaald. Ingekapselde larven zijn daarmee niet aantoonbaar.
Lees ook dit artikel: Bloedworm bij paarden: kleine en grote bloedworm
Grote bloedworm
Grote bloedworm behoort eveneens tot de strongyliden, maar komt in Nederland tegenwoordig nog maar weinig voor.
Vooral Strongylus vulgaris is van belang, omdat de larven tijdens hun ontwikkeling door bloedvaten migreren en daar schade kunnen veroorzaken.
De eitjes van kleine en grote bloedworm zijn bij een standaard mestonderzoek niet betrouwbaar van elkaar te onderscheiden.
Bij Nederlandse paarden bestaat verreweg het grootste deel van de aangetroffen strongyliden tegenwoordig uit kleine bloedworm.
Lees ook dit artikel: Bloedworm bij paarden: kleine en grote bloedworm
Spoelworm
Spoelworm (Parascaris spp.) is vooral belangrijk bij veulens en jonge paarden.
De volwassen wormen kunnen zeer groot worden en leven in de dunne darm. De larven maken tijdens hun ontwikkeling een trektocht door onder andere lever en longen.
Spoelwormeitjes zijn bijzonder sterk en kunnen jarenlang in de omgeving infectieus blijven. Daardoor kan op percelen waar ieder jaar jonge paarden worden gehouden een hoge infectiedruk ontstaan.
Volwassen paarden ontwikkelen meestal een sterke weerstand tegen spoelworm, al kunnen infecties bij oudere paarden incidenteel opnieuw voorkomen wanneer die weerstand vermindert.
Lees ook dit artikel: Spoelworm bij paarden: vooral een risico voor jonge paarden
Lintworm
De belangrijkste lintworm bij paarden is Anoplocephala perfoliata.
Lintworm heeft een indirecte levenscyclus. Een klein mos- of grasmijtje fungeert als tussengastheer en het paard raakt besmet wanneer het zo’n besmet mijtje tijdens het grazen binnenkrijgt.
De meeste paarden met een lichte infectie hebben geen klachten. Bij zwaardere infecties neemt onder andere het risico op bepaalde vormen van koliek toe.
Een gewoon McMaster-mestonderzoek is minder geschikt om lintworm uit te sluiten, omdat eitjes niet voortdurend en gelijkmatig worden uitgescheiden.
Lees ook dit artikel: Lintworm bij paarden: wat moet je weten?
Aarsworm of aarsmade
De aarsworm (Oxyuris equi), in de volksmond ook wel aarsmade genoemd, gedraagt zich heel anders dan de meeste andere darmwormen.
De vrouwelijke worm kruipt vanuit de endeldarm naar buiten en legt haar eitjes in een kleverige substantie rond de anus.
Dat veroorzaakt vaak hevige jeuk, waardoor paarden hun staart en achterhand kunnen schuren.
Omdat de eitjes voornamelijk rond de anus worden afgezet, is gewoon mestonderzoek geen goede manier om aarsworm aan te tonen. Hiervoor kan een cellotape-test worden gebruikt.
Lees ook dit artikel: Aarsworm bij paarden: jeuk rond de staart en hoe je hem aantoont
Veulenworm
Veulenworm (Strongyloides westeri) speelt vrijwel uitsluitend bij jonge veulens.
De eerste blootstelling vindt doorgaans via de moedermelk plaats. Daarnaast kan de parasiet zich onder gunstige omstandigheden ook buiten het paard voortplanten, waardoor vooral in een warme en vochtige stal de infectiedruk kan toenemen.
Als vuistregel speelt veulenworm vooral bij veulens tot ongeveer zes maanden oud. Daarna wordt hij nog maar zelden aangetroffen.
Hoewel de levenscyclus bijzonder is, veroorzaakt veulenworm in de praktijk meestal weinig problemen.
Lees ook dit artikel: Veulenworm bij paarden: bijzonder, maar meestal geen groot probleem
Paardenhorzel
De paardenhorzel (Gasterophilus spp.) is eigenlijk geen worm.
Het is een vlieg waarvan de larven een deel van hun ontwikkeling in het paard doorbrengen.
In de zomer en het najaar worden de karakteristieke geelachtige eitjes op de haren van het paard gelegd. Na opname ontwikkelen de larven zich eerst in de mond en later vooral in de maag.
Met gewoon mestonderzoek kun je een horzelinfectie niet vaststellen.
De relatie tussen de paardenhorzel en de bekende najaarsbehandeling na het einde van het vliegseizoen is een belangrijke reden waarom de zogenaamde ‘eerste nachtvorst’ zo’n bekende term in het wormmanagement is geworden.
Lees ook dit artikel: Paardenhorzel: gele eitjes op de vacht en larven in het paard
Longworm
De longworm Dictyocaulus arnfieldi is geen natuurlijke, gebruikelijke parasiet van het paard.
De ezel is de belangrijkste natuurlijke gastheer. Paarden lopen vooral risico wanneer ze samen met besmette ezels worden gehouden of gebruikmaken van dezelfde weiden.
Longworm veroorzaakt vooral luchtwegklachten zoals hoesten.
Voor gericht mestonderzoek wordt de Baermann-methode gebruikt, waarbij naar longwormlarven wordt gezocht. Vooral bij volwassen paarden kan een negatieve uitslag een infectie echter niet volledig uitsluiten.
Lees ook dit artikel: Longworm bij paarden: vooral relevant bij contact met ezels
Leverbot
Ook leverbot (Fasciola hepatica) is geen natuurlijke, gebruikelijke parasiet van het paard.
Voor een infectie moeten verschillende omstandigheden samenkomen. Leverbot moet bijvoorbeeld via natuurlijke gastheren zoals schapen, runderen of geiten worden geïntroduceerd en er moeten langdurig vochtige plaatsen zijn waar de leverbotslak kan leven.
Bovendien lijkt een gezond paard behoorlijk weerstand te bieden tegen het volledig ontwikkelen van een leverbotinfectie.
Voor gericht mestonderzoek naar leverbot wordt geen gewone flotatiemethode gebruikt, maar een sedimentatiemethode.
Lees ook dit artikel: Leverbot bij paarden: wanneer is het een risico?
Niet iedere parasiet vraagt dezelfde aanpak
Een van de belangrijkste lessen uit dit overzicht is dat er eigenlijk niet zoiets bestaat als één universeel ‘wormenprobleem’.
De verschillen zijn groot:
- bloedworm is bij vrijwel alle grazende paarden relevant;
- spoelworm speelt vooral bij jonge paarden;
- lintworm heeft een tussengastheer nodig;
- aarsworm vraagt een andere diagnostische methode;
- veulenworm speelt voornamelijk in de eerste levensmaanden;
- longworm wordt vooral relevant bij contact met ezels;
- leverbot vraagt een heel specifieke combinatie van omstandigheden;
- paardenhorzel is zelfs geen worm, maar een vlieg waarvan de larven in het paard leven.
Daarom heeft ook niet iedere parasiet dezelfde onderzoeksmethode of hetzelfde behandelbeleid nodig.
Mestonderzoek is een onderdeel van wormmanagement
Met mestonderzoek kun je belangrijke informatie krijgen over verschillende parasieten, maar je kunt er niet iedere infectie mee aantonen.
Een gewone kwantitatieve mesttelling is vooral waardevol voor de beoordeling van bloedwormuitscheiding en kan daarnaast bijvoorbeeld spoelwormeitjes aantonen.
Voor andere parasieten zijn aanvullende methoden nodig of is de voorgeschiedenis van het paard veel belangrijker.
Goed wormmanagement bestaat daarom uit meer dan alleen regelmatig een mestmonster onderzoeken. Het combineert:
- kennis van de belangrijkste parasieten;
- leeftijd en voorgeschiedenis van het paard;
- mestonderzoek op het juiste moment;
- goed weide- en stalmanagement;
- gericht gebruik van wormmiddelen wanneer daar aanleiding voor is.
Lees ook dit artikel: Welke parasieten kun je met mestonderzoek aantonen?
Lees ook dit artikel: Waarom doe je mestonderzoek?
Lees ook dit artikel: Resistentie tegen wormmiddelen: hoe ontstaat het en wat kun je doen?
